Japanse Wijnbes

Japanse Wijnbes

De Latijnse naam voor de Japanse Wijnbes is Rubus phoenicolasius. Daaraan kun je al direct zien dat ze familie is van de Braam (en de Braam – en de Japanse Wijnbes dus ook – is dan weer familie van de roos). Door die beide familieleden kun je al wat eigenschappen van deze plant inschatten: ze heeft dezelfde wat wilde groei als de braam (moet dus ook geleid en opgebonden worden).

Het is een grote struik met ook het enige nadeel van de roos: stekels. Geen grote stekels, maar dat is juist het venijnige; de stekels zijn klein en zitten in zeer grote getale rond de stengels. Ze zijn wel makkelijk te zien; bloedrood van kleur (hoe toepasselijk 🙂

Maar laat je hierdoor dan weer niet afschrikken want ze heeft ook een aantal voordelen; een vrij lange oogstduur, mooi heldergroen blad en rode stengels. En tot slot de kleine helderrode glanzende vruchtjes die echt heel erg lekker zijn. De opbrengst is niet heel groot en de vruchtjes zijn maar klein (ongeveer 1 centimeter) maar heerlijk zoet, met een klein fris zuurtje, een beetje plakkerig wanneer je er wat meer bij elkaar legt. Snoepjes dus. Ik heb de vruchtjes nog nooit bij een groenteboer of zo gezien. En ik ken niet de smaak van andere mensen, maar ik vind ze zelf o-zo lekker, heb er met gemak al die ongemakken voor over 🙂 En ze heeft trouwens nog een voordeel; ze is redelijk ongevoelig voor ziekten en ook plaagdieren vinden haar om de 1 of andere (vreemde) reden niet lekker. Dus je hoeft niet (zoals nog wel eens het geval is bij bramen en frambozen) bang te zijn voor rupsjes of wurmpjes in de vruchten.

Door alle bovenstaande eigenschappen zul je wel wat rekening moeten houden met teeltomstandigheden, maar dan is ze zeker een aanwinst voor elke moestuin!

Plant

De Japanse wijnbes is afkomstig uit Azie (dat laat de naam ook wel zien). Ze is vast en winterhard. Ze lijkt qua groei wel wat op een braam: maakt vanuit de grond lange uitlopers. Bind die uitlopers dus vooral op: handig want dan houd je een beetje orde in de struik, en ook handig omdat je dan de minste last hebt van de stekels; als alle takken los van elkaar zijn opgebonden kun je gemakkelijk de vruchtjes oogsten zonder je te prikken.

De Japanse Wijnbes (in het Engels Wineberry genoemd) bloeit in mei en juni aan 1-jarig hout. Elke bloem heeft zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen en de de bloemen worden bestoven door insecten. Je hoeft dus niet meerder planten te hebben om vruchten te kunnen oogsten, als je wilt is 1 plant voldoende. De oogst valt in juli-augustus. De oogst is gespreid, je kunt (als je 1 plant hebt) dus niet veel besjes tegelijk oogsten, maar vaker kleinere porties. Zelf hebben we maar een paar keer wijnbessen mee naar huis genomen; bijna elk jaar gaat de struik leeg aan het eten van rijpe besjes op de volkstuin zelf. Elke keer tussendoor een handje plukken en opsnoepen 🙂

Standplaats

De Japanse Wijnbes houdt van een niet te natte grond. Op onze vette klei hebben we eerst een flink gat gegraven en dat gevuld met zelfgemaakte rijpe compost. De Japanse Wijnbes voelt zich er duidelijk prettig in. Ze houdt van een neutrale grond (niet te zuur niet te kalkrijk). Ze schijnt wel wat halfschaduw te kunnen hebben maar hier staat ze in de volle zon en daar doet ze het prima. Ze heeft hier een plaats langs de rand van onze volkstuin. Zo kunnen we haar mooi horizontaal leiden, hebben we weinig last van de stekels, krijgt ze veel volle zon en kunnen we gemakkelijk plukken.

Zelf hebben we midden in de Randstad geen last van dieren als konijnen, hazen, herten, etc. Maar ik kan me voorstellen dat een haag van Japanse Wijnbes (door de stekels) dat soort dieren misschien ook nog wel voor een deel uit je tuin zou kunnen weren. Ook vogels zouden de besjes erg lekker vinden maar zelf hebben we dat nog nooit gemerkt (maar dat zou ook kunnen komen omdat er op een volkstuin altijd nog wel heel veel andere lekkere hapjes zijn).

De Japanse Wijnbes stelt niet heel veel eisen aan bemesting. Zelf mulchen we de grond eronder met oude stalmest met wat stro (handig want dat houdt ook onkruid tegen, onkruid is lastig te wieden onder de stekelige plant). En dan krijgt de plant elk jaar wat koemestkorrels en verder niet. Op echt zure grond zou je natuurlijk jaarlijks wat kalk kunnen geven.

Planten en rassen

Voor zover ik weet zijn er geen apart rassen, de struik wordt wortelecht (niet geĂ«nt dus) verkocht onder de naam Japanse Wijnbes. Koop haar in de winter of in het voorjaar in haar rustperiode (als je haar in pot koopt, dan kun je haar eigenlijk het hele jaar behalve de heetste en droogste zomermaanden kopen en planten). Ze stekt heel gemakkelijk en aangezien de planten lange uitlopers en takken maakt zal geen tuinbuurman het vervelend vinden als je een stek vraagt. Doe dat dan in het voorjaar. Neem een tak waarbij je de onderkant schuin afsnijdt boven een knop. Stek haar in zeer zanderige grond en laat haar in pot tot ze goed geworteld is. Plant haar dan uit op een geschikte plaats en top de stek op zo’n 40 centimeter (dat bevordert de groei van nieuwe uitlopers).

Japanse Wijnbes stekels cu

Op de foto rechts zie je de rood gekleurde stekels op de takken, dat ziet er dan wel weer wat gevaarlijker uit dan het in het echt is (omdat ik op de stekels heb ingezoomd met mijn fototoestel).

De plantafstand tussen 2 planten is 1 tot 1,5 meter (afhankelijk og je haar al dichte haag wilt gebruiken of als leivorm voor de oogst). Ook bij het planten van gekochte planten top je de plant om groei van uitlopers te stimuleren.

Zet bij het planten gelijk stokken. De uitlopers reiken tot ongeveer een totale breedte van 2,5 meter tot 3 meter. Span gelijk draden om later de takken aan te kunnen aanbinden.

Snoeien en leiden

Denk bij het snoeien en leiden van de Japanse Wijnbes maar aan haar zusje, de Braam. Ook de Winbes maakt lange takken, die je aan zult moeten binden om te zorgen dat er een beetje organisatie in je plant blijft. Bovendien neemt ze dan minder ruimte in beslag, droogt ze sneller op na regen en kan de zon goed de vruchten laten rijpen. Bovendien heb je zo het minst last van de stekels.

Span bij het planten draden aan de stokken op zo’n 50 centimeter hoogte. En dan elk 30 centimeter daarboven weer, de laatste
draad span je op zo’n 1,50 meter hoogte. Bind de jonge takken in een soort waaiervorm (eerst omhoog en dan
zijwaarts, ongeveer evenveel takken naar links als naar rechts) aan de draden vast. Hieraan komt de bloei en de oogst. Ondertussen heb je de takken van vorig jaar al weggesnoeid.

Japanse Wijnbessen bloeien net als Bramen op het hout dat de vorige zomer en herfst is gegroeid. Het wegsnoeien van de oude takken (waar dus in dat jaar de trossen met besjes aan zaten, tot op de grond) kun je het best na de oogst doen want dan heeft de plant nog tijd om te herstellen voor de winter begint. Als je zo elk jaar de takken die vruchtjes hebben gedragen wegsnoeit (zo dicht
mogelijk bij de grond) en de nieuwe takken opbindt voor de oogst van het komend jaar kan er eigenlijk nooit iets mis gaan. Zo gemakkelijk is het eigenlijk 🙂

Overige teelttips

Allereerst natuurlijk het aanbinden van de takken, maar dat heb je hierboven al kunnen lezen. Zorg verder rond de struiken voor een mulchlaag (dat hoeft natuurlijk niet maar het houdt onkruid tegen en geeft langzaam wat voeding af, zorgt voor humus en dus een betere structuur en luchtige grond). Verwijder eventuele opslag van wortelende takken rond de planten.

Oogst en bewaren

De vruchtjes van de Japanse Wijnbes blijven wat langer goed dan die van bijvoorbeeld bramen en frambozen. Dat neemt niet weg dat de vers geplakte vruchtjes het lekkerst zijn. Ik heb nog nooit jam gemaakt van Japanse wijnbessen maar wel eens likeur en dat was niet vies maar ook zeker niet bijzonder. Het lekkere zachte, bijna plakkerige zoete en frisse kwam niet terug in de likeur. Zelf eten we de besjes gewoon het liefst terwijl we bij de plant staan en oogsten. En als we veel besjes kunnen oogsten gaan ze mee naar huis en eten we er van wanneer we willen. Of we gebruiken het bij een ijsje of zo.

Pluk de besjes uiteraard rijp, en niet eerder. Als de besjes rijp worden kleuren ze van oranje via donkeroranje naar fel rood. Bij oranje zijn de besjes eigenlijk nog niet zoet genoeg, wacht tot ze goed rood zijn en probeer ze dan tussen duim en vinger te plukken; als ze goed rijp zijn laten ze heel gemakkelijk los (ook weer een beetje zoals bij bramen).