Boontjes

 

Wij vinden bonen (van eigen tuin) erg lekker; iedereen die wel eens zelfgeteelde boontjes gegeten heeft begrijpt wat ik bedoel als ik zeg dat ze heel veel lekkerder zijn dan de gemiddelde boontjes uit de winkel (uitzonderingen daargelaten). Samen met groenten als bijvoorbeeld tomaten, radijsjes en komkommers proef je dat ze van eigen tuin zijn: een lekkere verse groene bonensmaak, sappig, knapperig, geen taaie elastiekjes en geen draad (mits je uiteraard de juiste rassen kiest).

Wij vinden bonen één van de meest onmisbare groenten in de moestuin: omdat ze gewoon buiten kunnen worden geteeld, een goede tot prima opbrengst geven, niet heel veel plaats innemen, niet heel moeilijk te zaaien/telen zijn, vlot groeien en bloeien en dus binnen afzienbare tijd te oogsten zijn. En niet onbelangrijk, het zijn mooie planten, groot groen blad, fris van kleur, met bloemen in wit of lilapaars en peulen in groen of paars.

Bonen houden van warmte. De tijd dat je ze in ons land kunt telen is beperkt tot de zomermaanden. Als je in tijd heel secuur en consequent zaait (van vroeg tot laat) kun je ze in principe tussen eind juni en begin tot half oktober (afhankelijk van het weer) oogsten en eten.

De bloempjes van stoksperzieboon Melissa

 

PLANT

De boon behoort tot de vlinderbloemenfamilie, ze heet officieel Phaseolus vulgaris (behalve de pronkboon, die heet Phaseolus coccineus). Tuinbonen en sojabonen heten ook bonen maar behoren niet tot deze bonenfamilie en hebben een heel andere teeltwijze. Vandaar dat deze soorten eigen pagina’s hebben (Tuinboon en Sojaboon).

Typisch voor heel veel soorten uit de vlinderbloemenfamilie is zijn de knobbeltjes aan de wortels; hierin slaat de plant stikstof op. Als je na een vroege of middelvroege oogst je bonenplanten wilt opruimen is het handig om de wortels te laten zitten zodat de stikstof die is opgeslagen in die knobbeltjes beschikbaar komt aan de opvolgende teelt. Zelf knippen we de steel van de plant direct boven de grond af en planten we tussen de rijen bonenwortels (die je niet meer ziet) bijvoorbeeld sla of andijvie als nazomerteelt, want die kunnen beiden wel wat stikstof gebruiken. Als we in het najaar de laatste bonen hebben geoogst halen we de hele planten met wortels en al uit de grond en gooien die op de compost – daar is ze ook altijd nuttig. Bonenblad is sowieso prettig op de composthoop; zeker de stokbonen leveren lekker veel malse massa in de composthoop.

 

Stambonen en stokbonen:

Er zijn lage en hoge rassen, met veel overeenkomst maar toch ook een aantal verschillen in de verzorging.

Lage boon = struikboon = stamboon

Stamsperzieboon Teepee mix, groene (witbloeiend) en paarse (paarsrozebloeiend) boontjes

 

Deze bonen worden zo’n 30 tot 50 centimeter hoog, afhankelijk van het ras en de groeiomstandigheden. Lage bonen worden ook wel struikbonen maar vooral stambonen genoemd.

De opbrengst van stambonen bedraagt gemiddeld 12 kilo per 10 vierkante meter. Het grootste voordeel van stambonen is het snelle groeien en dus ook snelle oogsten (sneller dan stokbonen die eerst veel stengels en blad moeten maken om te klimmen). Om die reden kun je ze ook nog wat later zaaien dan stokbonen.

Er zijn lage = stam sperziebonen en lage = stam snijbonen, en er zijn uiteraard ook nog de droogbonen (ook in klimmende = stok rassen en lage = stam rassen). Lage droogbonen moeten trouwens wel vroeg = in mei gezaaid moeten worden, omdat ze tijd nodig hebben om na bloei en peul volledig te rijpen aan de planten.

Het nadeel van stambonen: doordat ze zo dicht bij de grond groeien en bloeien kunnen de planten in een natte zomer soms minder goed opdrogen na regen. En dan zijn de planten uiteraard gevoeliger voor ziekten/rot/schimmels. Vooral op onze vette kleigrond hadden we daar wel eens last van, ook van modderige bladeren en bonen en planten die omwaaiden en half in de natte grond lagen. We hebben dat opgelost door voortaan onze stambonen in een verhoogde bak te telen, dat gaat (in ieder geval op onze kleigrond) veel beter.

Stamsperzieboon Amethyst na een regenachtige en winderige week in juli: de bonen liggen op de modderige grond

 

Hoge boon = stokboon = staakboon

Je kunt op deze foto duidelijk zien hoe stoksperziebonen langs stokken omhoog slingert

 

Deze bonen worden ook nog wel eens klimbonen genoemd, maar stokbonen is wel de bekendste naam. Eigenlijk klimt een stokboon niet maar slingert ze. Ze slingert zich rond een stok omhoog, tot ruim meer dan 200 centimeter hoog. Er zijn stoksperziebonen en stoksnijbonen en die worden beiden even hoog. De opbrengst per vierkante meter ligt een stuk hoger dan die van lage bonen, zo’n 20 kilo per 10 vierkante meter (al is dat uiteraard ook afhankelijk van het ras).

Het voordeel van stokbonen (naast de hogere opbrengst): de planten geven een betere opbrengst, simpelweg omdat de plant verticaal groeit en over de hele lengte van de ruim 200 centimeter bloeit en bonen maakt. Daarnaast kunnen de planten  makkelijker opdrogen na een regenbui. En een ander leuk voordeel is dat je na de eerste oogst van boontjes onderin de planten niet meer hoeft te bukken en rechtopstaand kunt plukken

Een nadeel van stokbonen is dat je maar een korte periode hebt waarbinnen je kunt zaaien. Omdat de oogst later start en langer duurt dan bij lage boontjes zaai je ergens tussen begin mei en uiterlijk half juli. De eerste oogst valt dus ook iets later dan bij stamboontjes, omdat de planten dan hun energie stoppen in het klimmen.

Een rij stokbonen voor de kas (lekker warm met het glas in de rug)

 

In de praktijk betekent het voor ons dat we vaak vroeg stamsperzieboontjes zaaien voor een vroege oogst. En dan in mei een flinke hoeveelheid stokbonen zaaien voor de oogst in juli en augustus, dat zijn dan vaak zowel sperziebonen als snijbonen en pronkbonen, ook om deels in te vriezen). En dan zaaien we later in het seizoen nog een keer lage stamsperzieboontjes, voor de late oogst in de nazomer/vroege herfst.

Heel soms zaaien we ook nog bonen in de kas. Een paar jaar geleden was er zo’n slechte zomer dat de bonen buiten het heel slecht deden, en dat in de kas een aantal tomatenplanten dood gingen door water in de kas door een verstopte drainage. We hebben toen de tomatenplanten eruit gehaald, gemest, gespit, en toen alle grond weer wat was opgedroogd hebben we er begin augustus stoksperzieboon Melissa in gezaaid – die gaf tot in oktober een opbrengst van kilo’s lekkere boontjes.

Stokboon in de kas; schoon, geen scahde aan het blad door wind of regen, gezond, maar ook geen bestuivers dus wel tikken!

 

Mocht je kas dus door onvoorziene omstandigheden midden in de zomer leeg komen (bijvoorbeeld door schimmel in de komkommerplant of een paar dode aubergineplanten of wat dan ook), dan is de teelt van stokbonen vanaf de tweede helft van de zomer wel erg leuk en nuttig. Wel tegen de planten tikken trouwens voor de bevruchting!! In de kas komen maar weinig bestuivers en er staat ook geen wind. Onze ervaring is dat wanneer je niet elke dag even tikt tegen de planten, er minder bloemen bevrucht worden en er dus een flink kleinere opbrengst is.

Overigens moet ik wel nog even zeggen dat stokbonen in de kas nog wat hoger/groter worden dan buiten. We hebben ze in een grote kas geteeld en dat ging prima. Maar ook wel eens in een kleine kas:

 

En dat ging ook prima, neemt dan wel veel plaats in beslag want waar je niet de hoogte in kunt groeien, groei je vanzelf de breedte in. En desnoods kruip je het raam uit en ga je daar verder 🙂

 

Soorten bonen:

Een andere indeling dan lage en hoge bonen in de indeling in bonensoorten:

Droogbonen:

Droogbonen zijn ook gewoon bonen, je zou ze dus ook als verse peulen kunnen eten, ware het niet dat ze voor die teelt vaak minder geschikt zijn (omdat ze bijvoorbeeld draden hebben of al heel snel een dikke boon in de peul maken). Van deze bonen laat je bij voorkeur dus de bonen helemaal drogen aan de planten. Als de peulen dor, droog en bruin zijn kun je de boontjes binnenin oogsten. Ze zijn er in verschillende kleuren vormen en ook groottes; zwart, bruin, beige, wit, geel, paars, rood, etc, met of zonder tekening (de Yin & Yang-boon die half zwart en half wit is is bijvoorbeeld erg mooi). Vormen zijn bijvoorbeeld: bruine bonen, limabonen, witte boontjes, kidneybonen, flageolets, kievitsbonen. Voor alle droogbonen die je wilt bewaren geldt dat je moet oppassen voor de larven van de bonenkever – zij worden in de boon geboren en eten die van binnenuit op. Kijk even bij zaadteelt hoe je dat heel gemakkelijk kunt voorkomen.

Zelf telen we droogbonen zelden meer, ik proef persoonlijk niet heel veel verschil met de bruine bonen uit pak in de supermarkt en voor mij weegt de lage prijs in de winkel wel op tegen het toch behoorlijk veel werk (en tijd en plaats in de tuin) kostend zelf telen van droogbonen. Een kennis van ons op de volkstuin zweert echter bij zelfgeteelde bruine bonen. Probeer het vooral zelf eens zelf!

Wij telen wel de zogenaamde ‘all-purpose-beans’, oftewel geschikt voor alles 🙂 . het zijn bonen die je als sperzieboon kunt eten wanneer ze jong zijn, maar als de peulen groter en dikker worden worden ze stug, soms ook met draad, en dan oogst je er juist de verse dopbonen van. Je kunt die dopbonen ook nog drogen maar verse dopbonen vinden wij zo lekker dat we ze zelden kunnen drogen – dan zijn ze al op.

 

Op de foto hierboven zie je Rattlesnake, een mooie gevlekte groen-paarse boon die je jong als verse sperzieboon kunt eten. Als je wacht wordt ze al snel dikker en maakt ze mooie, kleine verse dopboontjes (lekker om zelf witte boontjes in tomatensaus van te maken!).

De dopboontjes van het ras Rattlesnake, die je dus vers of gedroogd kunt gebruiken

 

Snijbonen:

Snijbonen eet je vers, ze hebben grote lange vlezige peulen (soms wel 20 tot 25 centimeter lang en ze zijn wat plat van vorm). Ik kan me nog van vroeger herinneren dat ik mijn moeder mocht helpen: draaien aan het beroemde bonenmolentje aan het aanrecht boven een grote teil; zo werden kilo’s snijbonen tegelijk verwerkt en ingevroren. Ondertussen zijn er veel meer manieren bekend: ik snijd ze zelf meestal gewoon met een mesje in reepjes of vierkantjes, wat je zelf wilt.

Er zijn naast de meest bekende en meest geteelde stoksnijbonen ook stamsnijbonen, maar die zijn qua aantal beschikbare rassen duidelijk in de minderheid: prima kwaliteit, maar wel wat minder opbrengst (zoals alle stambonen wat minder opbrengst geven dat stokbonen). En vooral: omdat de snijbonen zo lang zijn hangen de peulen dan vaak op de grond, of de planten vallen om door de zwaarte van de bonen. Op zich niet erg maar op onze vrij natte grond geeft dat soms toch rotting, ongetwijfeld gaat dat op zandgrond beter.

Stamsperzieboon Sequoia, een mooie en lekkere lage boon die we graag in een verhoogde bak telen

 

Sperziebonen:

Sperziebonen worden soms ook nog wel prinsessebonen genoemd, en soms ook slabonen. Ze zijn verkrijgbaar in lage stam- en hoge stokvariëteiten. Ze worden bijna altijd jong geplukt en gegeten.

Stamsperzieboon Argus, met mooie dunne lange boontjes zonder draad

 

Verschillen in sperziebonen:

In de groep sperziebonen bestaan nogal wat verschillen, ongeacht of ze klimmen of niet. Van kleine dunne haricot verts tot dikke spekbonen. Hieronder de verschillende soorten sperziebonen met hun bijzonderheden op een rijtje:

Boterboon:

Ook wel wasboon genoemd. Het zijn zachtgele sperziebonen met een zachtere = minder uitgesproken bonensmaak. Niet onze favoriet, al heb ik er geen hekel aan, maar de zachtere smaak is juist dat wat wij niet zoeken in een boon, maar er zijn zeker ook mensen die deze boontjes juist erg lekker vinden..

Naaldboon:

Dit zijn Franse boontjes, heel dun en recht van vorm, en soms tot wel 20 centimeter lang. De bekendste naaldboon is de Haricot Vert. Ze maakt vaak veel blad, de bloei is wit of lilapaars, de peulen groen of groen-paars gestreept, en er kan meerdere keren geplukt worden. De zaden zijn zwart, bruin, beige of gevlekt.

Chinees boontje:

Deze boon lijkt wel wat op het Franse naaldboontje maar de dunne rechte boontjes zijn korter, maximaal 14 centimeter. De planten zijn kleiner (vaak maar 30 tot hooguit 35 centimeter – daarom ook leuk en geschikt voor in potten en verhoogde bakken). De oogst is meer dan prima maar je kunt niet vaak of lang oogsten; de hele oogst valt in ongeveer 2-4 keer flink plukken. De zaden zijn wit en klein.

‘Gewone’ sperzieboon:

Wat minder dun en vaak wat vleziger (maar dat maakt het niet minder lekker, ook al is het anders). Sommige rassen kunnen al snel een wit boontje in de peul ontwikkelen, en ook daar zijn liefhebbers voor. Naast de donkergroene boon zijn er ook donkerpaarse rassen (die overigens donkergroen worden na het koken). De oogst is (mede afhankelijk van het ras) prima, en je kunt over een wat langere periode plukken. De bloei is wit, en ook de zaden zijn wit.

Spekbonen:

Oh ja, ook lekker. Vroeger aten we vaak spekbonen, mijn vader zweert bij spekbonen, hij noemt haricot verts ‘velletjes, dat zijn geen bonen’ 🙂 . Spekbonen zijn ouderwetse (en toch weer helemaal in de mode) dikke, ronde, zachte bonen waar al een witte boon in zit. Ze lijken qua grootte bijna meer op snijbonen maar dan rond van vorm. Je moet ze wat langer koken dan de dunne boontjes (want de witte boon in de peul moet wel gaar zijn). Wij vinden ze ook erg lekker, ze hebben een sterke en ouderwetse bonensmaak.

Op z’n minst moet je ze een keer zaaien, al is het maar om te weten hoe je ouders of grootouders bonen aten, voor het tijdperk van de moderne lange en dunne sperzieboon. Persoonlijk vind ik het (heel in de verte) vergelijkbaar met de potjes die je in de winkel kunt kopen van snijbonen met witte bonen gemengd; maar dan uiteraard vers en heel veel lekkerder. Wij eten ze niet vaak maar als we ze eten (met draadjesvlees erbij, een lekkere jus en gekookte aardappeltjes) vinden we het toch wel echt ouderwets erg lekker 🙂 . Je kunt deze bonen trouwens beter invriezen dan gewone sperziebonen, naaldboontjes en Chinese boontjes; spekbonen blijven na het invriezen lekker terwijl de andere sperziebonen na het invriezen en koken vaak waterige, slappe bonen geven.

Stokpronkboon Sun Bright, met geel blad en felrode bloemen; niet alleen lekker maar ook mooi!

 

Pronkbonen:

Ja, dan nog iets over pronkbonen. Zoals eerder gezegd is een pronkboon een andere boon (Phaseolus coccineus) dan een sperzieboon (Phaseolus vulgaris). Beide soorten kruisen ook niet of nauwelijks met elkaar, ik heb dat zelf in ieder geval nog nooit gemerkt of ondervonden. Je kunt trouwens wel kruisingen kopen, bijvoorbeeld pronkboon Moonlight zou een kruising zijn tussen een stoksperzieboon en een pronkboon. Ze heeft ook egaal witte zaden, maar ik heb bij de teelt alleen maar kenmerken gezien en geproefd van een pronkboon, zowel in blad, groeikracht, peulen, smaak, etc..

Pronkbonen zijn niet alleen ouderwets (en tegelijkertijd weer helemaal nieuw), ze zijn ook lastig, zeker niet in de teelt hoor (ze kan zelfs wat beter tegen een koele, regenachtige zomer dan sperziebonen) maar dan bedoel ik vooral de oogst. Ik teel ik ze elke jaar, want als je ze jong plukt zijn het misschien wel de allerlekkerste (snij)bonen: zacht en toch stevig, nooit waterig, en altijd een volle bonensmaak. Je kunt ze ook prima invriezen. Maar ik wil ze alleen van een goed ras, en de bonen moeten jong geplukt worden! Als je ze te laat plukt worden de peulen hard en taai, en de termen ‘scheermesjes’ en ‘draden’ komen dan gelijk bij me boven.

Pronkboon Firestorm (roodbloeiend) en Snowstorm (witbloeiend) samen aan 1 stok; mooi en lekker!

 

Pronkbonen hebben nog wat voordelen: omdat ze dus wat beter bestand zijn tegen slecht weer kun je ze ook iets eerder zaaien en oogsten dan andere bonen. En daarnaast zijn ze mooi; het zijn groeikrachtige planten met fors blad en vrij grote bloemen in wit, rood en tegenwoordig ook steeds vaker in tinten roze of rood-wit. De bloemen zijn ook nog eens eetbaar en hebben een zachte bonensmaak met wat zoetig nectar.

In Engeland is de pronkboon (die daar Runner Bean wordt genoemd) een veel meer geteelde en gegeten boon dan in Nederland. De beste rassen (qua gezondheid van de plant, opbrengst, peullengte, etc.) zijn dan vaak ook de Engelse rassen. Voor ik het vergeet: er zijn vooral stokpronkbonen te koop, en in een veel kleinere hoeveelheid rassen stampronkbonen.

De bloempjes van pronkboon Riley; de zaden groot en zwart, de bloempjes zalmoranje met lichtrood, en verder lange rechte malse peulen en een prima opbrengst

 

TEELTWIJZEN

Struikbonen teel je gewoon in rijen, stokbonen teel je aan stokken. Tonkinstokken = bamboestokken hebben al jaren onze voorkeur. Maar je kunt ook touwen, draad of palen gebruiken (onze tuinbuurman zet 1 lange paal, bovenop een oud fietswiel en daaraan maakt hij om de 20 centimeter touwen schuin naar beneden, zodat je een soort wigwam- of tentidee krijgt).

Droogbonen zijn dus buitenbeentjes; ze hebben een lang seizoen te gaan om te groeien en bloeien, peulen te maken, vrucht te zetten, en af te rijpen voor de oogst). Je zaait ze dus in mei, en je oogst de bonen pas als ze aan de planten helemaal rijp en gedroogd zijn, vaak is dat pas in september/oktober.

Alle bonensoorten zijn zeer gevoelig voor nachtvorst en worden dus na 12 mei (= IJsheiligen) buiten gezaaid of geplant.

Ik zaai ze zelf ook wel thuis half april voor; gokje. Ze kunnen dan, met argusogen naar het weerbericht kijkend, begin mei mee naar de volkstuin en de grond in. Het liefst op een plekje waar we een week of 2 eerder een stuk plastic over de grond hebben gespannen zodat de grond al wat is opgewarmd, en droog is (bonen houden niet van nattigheid).

Het gaat niet altijd goed, zo vroeg al zaaien:

Als je te vroeg bent en er nog nachtvorst komt is dit het gevolg: vorstschade bij jonge bonenzaailingen

 

Maar als je wat oudere bonen hebt, of genoeg bonen, dan is het met een restje bonenzaden toch leuk om eens te proberen. Er zijn jaren dat er in de laatste 3 weken voor ijsheiligen al geen nachtvorst meer komt en dan heb je geluk en kun je al vroeg boontjes oogsten en eten. Maar het risico is dus best groot!

Je kunt natuurlijk ook iets vroeger zijn door half tot eind april in bijvoorbeeld een platte bak te zaaien, ook dan heb je extra vroeg je eerste eigen boontjes. Hetzelfde geldt voor de herfst; half tot eind augustus kun je nog onder glas zaaien, en proberen om met behulp van een mooie nazomer in oktober nog boontjes van eigen tuin te eten.

RASSEN

Er bestaan heel veel bonenrassen. De allerbelangrijkste zaken waar je op kunt letten bij je keuze:

Rassen met of zonder draad: ik kan er niks aan doen, bonen met draad vind ik echt heel vies, ik ben in staat om de inhoud van de hele pan weg te kiepen. Het is echter al lang geleden dat we bonen met draad hebben gehad, want de nieuwe rassen worden bijna allemaal gekweekt/geselecteerd met de eigenschap “zonder draad” (in een catalogus wordt het soms aangeduid als ‘z. dr.’). Voor wie het fenomeen niet kent: sommige (vaak oudere) rassen hebben over de gehele lengte van de peul een taaie draad die bij het koken niet zacht wordt. Het weer heeft trouwens ook invloed op die beruchte draad; in droge zomers en met te weinig gieten kan er ook een kleine dunne draad in draadloze bonen zitten. Mocht je je zaden in het buitenland bestellen: let voor draadloze bonen dan op de termen ‘sans fil’ bij een Franse zaadhandel en op ‘stringless’ bij een Engelse zaadhandel.

Enkele of dubbele rassen: zowel bij de stam- als bij stokbonen komen enkele en dubbele rassen voor; enkele rassen hebben een vrij platte vorm waarbij de eventuele zaden goed zichtbaar zijn, ze zijn niet zo vlezig en ik heb het idee dat de boontjes in de peul zich wat sneller ontwikkelt. De dubbele rassen hebben juist een vlezige, bijna sappige ronde peul. Ook daarin komt trouwens uiteindelijk natuurlijk een boontje, het hangt van het ras af of dat al snel of juist wat later gebeurt.

Peullengte: ik heb een zwak voor extra lange rassen: geen idee waarom, maar ik vind de lange rechte dunne rassen erg mooi, hoewel er verder geen enkel verschil in smaak is hoor. Er zijn boontjes die slechts 10-12 centimeter lang worden, maar ook boontjes die de 20-24 centimeter halen (maar dat zijn dan wel bijna altijd stokbonen).

Op deze foto is het verschil in peullengte goed te zien: links het ras Amethyst, rechts Melissa, en in het midden de winnaar: Pastoral met peulen die wel 25 centimeter lang kunnen worden

 

Hoogte van het gewas: zoals al genoemd zijn er lage (stam-) bonen en hoge (stok-) bonen. Kies wat je zelf prettig vindt om te telen, en kijk daarbij natuurlijk dan ook waar en wanneer je ze wilt telen.

Stamsnijboon Sequoia meer
Stamsnijboon Sequoia in een verhoogde bak

 

Onze favoriete rassen (allemaal zonder draad uiteraard):

  • Supermarconi, Helda en Mantra zijn alle drie goede groene snijbonen met prima opbrengst (en uiteraard zonder draad, zoals ook de rest van het rijtje hieronder)
  • Neckarkoningin: prima groene stokspekboon
  • Blauhilde: ook een prima stokspekboon, en nu paars van kleur (kookt donkergroen)
  • Pastoral: heel lange en rechte stoksperzieboon, prima smaak, forse opbrengst – ik meen dat ze nu is vervangen door een verbeterde (kan dat dan nog 🙂 ) Vesperal
  • Cobra en Negrital: beiden ook heel goede stoksperziebonen met lange rechte peulen en goede opbrengst
  • Melissa: stoksperziebonen in een donkerpaarse kleur (koken groen), lang en recht, vlezig, mals en smakelijk en een zeer goede opbrengst (en als extra cadeautje bij de teelt donkergroen blad met daarin veel purper en lilapaarse bloei). De beste paarse stoksperzieboon (naar mijn mening). Maar helaas wordt ze voor zover ik weet nog steeds alleen door Franse webshops verkocht (google op haricot Melissa)
  • Sequoia, synoniem Purpiat: hiervoor geldt hetzelfde als  bovenstaande: alleen nog in Frankrijk te koop, bijzondere stamsnijboon met donkerpaarsgroen blad, lilapaarse bloei en donkerpaarse vrij korte platte snijbonen, koken donkergroen
  • Fandango: een heel gewone maar lekkere stamsperzieboon; prima opbrengst, mooie rechte vlezige peulen.
  • Teepee: sperziebonen zonder draad met een lekkere bonensmaak. Ze zijn er in groen (Cropper Tepee), geel (Golden Teepee) en paars (wordt groen bij het koken – Purple Teepee).
  • Pronkboon Sun Bright: voor het lekker en het mooi: deze stokpronkboon heeft knalrode bloemen en geelgroen blad, een zomerse felle kleurencombinatie, foto elders op deze pagina. De opbrengst lijkt wel iets lager te liggen dan bij de nieuwere pronkbonenrassen
  • De nieuwere pronkbonenrassen 🙂 : heel goede pronkbonen met een grote opbrengst en malse peulen zijn bijvoorbeeld Snowstorm (witbloeiend) en Firestorm (roodbloeiend), Moonlight (witbloeiend), Riley (zalmrozebloeiend), Saint George (rood/witbloeiend)

En nu vergeet ik heel veel heel goede soorten hoor, probeer gewoon eens wat soorten en let daarbij in de beschrijving op de informatie m.b.t. zonder draad, opbrengst, peullengte, kleur, ziektebestendigheid, etc.. Zeker bij de stambonen is er een enorme keuze, zelf hebben we rassen geprobeerd als Prelude, Novores, Cantare, Argus, etc., allemaal prima.

 

BODEM / BEMESTING

Bonen hebben geen bezwaar tegen zand- of kleigrond maar houden niet van zure grond. Op zure grond moet er dus wel kalk worden gestrooid, in welke vorm dan ook.

Bonen houden van zon en van een warme, niet te natte grond. Als het lukt telen we bonen hier in een verhoogde bak in plaats van in de volle grond (hoewel in een goede zomer de teelt in de volle grond ook prima gaat hoor, maar als we een erg natte periode middenin de zomer treffen is dat duidelijk nadelig voor de bonenplanten en dus ook de opbrengst. We telen hier de eerste bonen (zo vroeg mogelijk)ook liever niet in de volle grond want onze vette klei is dan nog lang koud en nat. In een verhoogde bak warmt de grond sneller op, is wat luchtiger, en is minder nat. Op zandgrond is de vroege teelt dus ook makkelijker dan op kleigrond omdat zandgrond snel opwarmt in de het voorjaar en minder nat is/blijft.

Op onze kleigrond is de late teelt (zoals wij altijd nog een keer boontjes zaaien in juli) in de volle grond juist weer wel handig; kleigrond warmte maar langzaam op in het voorjaar maar koelt in het najaar net zo langzaam af. De warmte die in de nazomer nog door de vaste kleideeltjes wordt vastgehouden is gunstig voor de late bonen (mits het maar niet te veel regent want dan gaat de afkoeling natuurlijk veel sneller, en bonen houden ook niet van natte grond).

Zoals al eerder gezegd: bonen zorgen gedeeltelijk voor hun eigen stikstof doordat ze stikstof uit de lucht vastleggen via de wortelknobbeltjes (stikstofsynthese). Je hoeft daarom weinig te bemesten. Zelf geven we alleen (uiteraard weer naast de basisverzorging van wat rijpe compost en een kleine hoeveelheid algemene moestuinvoeding een week of 2 voor de zaailingen worden geplant. Het vak met stokbonen krijgt 1 of 2 handjes meer voeding dan het vak met stambonen (simpelweg omdat stokbonen hoger, groter worden en meer opbrengst geven).

 

ZAAITABEL / PLANTEN / OOGSTEN / PLANTAFSTAND:

Bonen tabel

 

ZAAIEN

Ik zaai zelf graag bonen voor. Dat heeft een paar redenen. Als eerste blijft onze grond in het voorjaar dus lang koud en soms ook nat, bonenzaden kunnen die die natte grond makkelijker rotten dan op warmere, droger zandgrond. En dan zijn er nog de vogels die heel graag kiemende bonenzaden lusten. Je kunt dus zeker ook bonen ter plaatse zaaien, maar dek de zaaisels dan vooral af met wat vliesdoek of gaas tegen vogelvraat. En hopen dat het niet kletsnat is van de regen. Daarom trek ik bonen dus liever voor, thuis of in de kas.

Bonen gezaaid 1

 

Ik gebruik daar graag vrij grote en diepe bakken voor waar ik dotjes van 5 of 7 zaden op een afstand van een centimeter of 5 van elkaar in zaaien. Ik gebruik een mengsel van 4 tot 5 delen potgrond en 1 deel brekerzand. Het krijgt vervolgens 1 keer water, tenzij het heel zonnig en warm is en de grond snel opdroogt, maar bonenzaden rotten snel in te natte grond, dus liever te matig water dan teveel (maar niet helemaal uit laten drogen natuurlijk). En na het kiemen hebben de zaailingen wel water nodig, om te kunnen groeien. Op de foto zie je de dotjes gekiemde bonen, ik haal ze met een schepje uit de grond om uit te planten als ze zo groot zijn als op die foto.

 

Soms wordt er ook wel geadviseerd om bonenzaden voor te weken, gezien het verhaal hierboven vind ik dat persoonlijk vrij riskant maar het is een optie. Mijn schoonvader legde bonen zelfs altijd 24 uur in slaolie, zodat ze beter bestand zouden zijn tegen rotten door te veel vocht (wellicht handig als je ze in de volle grond ter plaatse wilt zaaien).

We planten lage = stambonen altijd met 5 bij elkaar in een groepje, een centimeter of 20 van elkaar. Dan krijg je, vinden wij althans, een mooie volle rij bonen die toch voldoende licht, lucht en ruimte krijgt voor een goede groei, bevruchting en oogst. In de meeste boeken vind je echter het advies om bijvoorbeeld op elke 5 tot 10 centimeter 1 bonenzaailing te planten. Hier vinden we een wat vollere bos bonen bij elkaar met wat meer afstand handiger omdat de planten elkaar vast houden in de soms stevige wind die hier dichtbij de kust waait. En we hebben ook het idee dat we wat meer opbrengst hebben (en dat moet ook kloppen als je uitrekent hoeveel bonen je per stuk kunt zaaien als je op elke 5 – 10 centimeter 1 boon zaait, ten opzicht van ons systeem waarbij we elke 20 centimeter 5 bonen zaaien). Uhhh, goed in rekenen ben ik niet maar dit lijkt toch wel te kloppen 🙂 . Uiteraard is een goede opbrengst niet alleen afhankelijk van de plantafstand maar ook van het ras, de grond, het weer, etc..

Stokken met bonenzaailingen

 

Ook met stokbonen houden wij een wellicht wat afwijkende hoeveelheid bonen per stok aan. In de meeste boeken wordt geadviseerd om 4 tot 6 zaden per stok te zaaien. Maar wij zaaien al zeker 20 jaar 7 bonen per stok (van stoksperziebonen en van stoksnijbonen), en dat vinden we een prima hoeveelheid; genoeg ruimte om te groeien, bloeien, op te drogen na regen, en we hebben (vinden we zelf) een maximale opbrengst. Maar misschien is het leuk om daar zelf ook eens mee te experimenteren; een paar stokken met 7 bonen per stok zaaien en een paar stokken met bijvoorbeeld 4 of 5 bonen per stok, en dan zelf ervaren wat het beste groeit, en de beste opbrengst geeft.

Van pronkbonen zaaien we trouwens altijd 5 bonen per stok, want pronkbonen maken veel groeikrachtigere planten en zijn in alles wat grover en groter dan sperziebonen, droogbonen en snijbonen.

Pronkboon Riley, 5 zaden per stok in een ‘wigwamvorm’ en daarmee grote, flinke, volle planten/stokken

 

Ook stokbonen zaai ik graag voor in de kas, op dezelfde manier als de stambonen hierboven……..maar dan dus 7 bonen (of 5 voor de pronkbonen) per hoopje en iets verder uit elkaar. Als ik genoeg potjes heb (want rond die tijd is er heel veel verspeend en is er ruimte en potjes tekort in de kas) vind ik het ook handig om gewoon een 9-centimeter potje te vullen met een mengsel van potgrond en 1/5e deel brekerzand en daarin 7 zaden voor 1 stok te zaaien (of 5 zaden voor de pronkbonen).

De ruimte tussen de stokken in is een loze ruimte. Maar als je een week of 2 tot 3 voor je bonen zaait wat sla en andijvie zaait kunnen die prima tussen de stokken in worden geplant. Tegen de tijd dat de bonen al zo hoog zijn gegroeid dat ze licht weg gaan nemen zijn die kropjes sla en andijvie al eetbaar. Hieronder zie je een aantal kroppen Lollo Rosso tussen stokbonen in)

 

Het voordeel van het voorzaaien is dus het voorkomen van rotting in de grond door vocht en/of kou (en daar heb je op kleigrond wat sneller kans op dan op zandgrond). En daarnaast hoef je voorgezaaide bonenzaailingen bij het uitplanten niet meer af te dekken voor vogels; het lekkerste is er dan blijkbaar voor hen af. Plant voorgezaaide bonenplanten uit wanneer ze minimaal 4 blaadjes hebben.

De bonenzaailingen in een bak zoals ik ze vaak zaai, bij deze in dotjes van 3 of 4 zaden gezaaid zodat ik bij elke stok een dotje van 3 en een dotje van 4 zaailingen uit kan planten

 

En zo kan ik de zaailingen dan in dotjes uit de bak halen en uitplanten. Bij het zaaien in potjes heb je natuurlijk nog minder beschadiging van de worteltjes maar ook dit werk voor ons prima

 

En dan tot slot van dit stukje over zaaien nog iets over vermiculiet; ik heb in 2017 ontdekt dat het zaaien van grote zaden zoals maïs, courgettes, maar dus ook bonen heel goed gaat. Ik gebruik er vermiculiet voor dat ik eerst overgiet met water, dat uit laat lekken in een vergiet, en het vochtige vermiculiet dan in een plastic bak doe waar een doorzichtige kap op kan (zoals een propagator of kweekbakje). De zaden zaai ik dan per stuk in het vermiculiet, en na het kiemen kan ik heel gemakkelijk zaailing voor zaailing uit het vermiculiet trekken en uitplanten. Ik heb er hier een eigen pagina over geschreven: Zaaien in vermiculiet

 

TEELTZORGEN

Naast de algemene teeltzorgen als wieden, etc. voor alle duidelijkheid nog een keer: bonen hebben wenig water nodig, maar wel wat natuurlijk. Wij geven alleen water direct na het planten en in de eerste 2 weken, en vervolgens alleen bij een langere droge periode (want anders zouden de bonen wat sneller een draad kunnen ontwikkelen).

Stokbonen moet je soms een eerste draai om de stok heen helpen, soms met een touwtje, voor ze zelf gaan klimmen.

 

OOGST / BEWAREN

Alle snijbonen, sperziebonen en pronkbonen pluk je jong en mals. Alleen spekbonen niet: dan wacht je tot de bonen rond zijn en je voelt dat er boontjes in de peul zitten.

In de zomer moet je zeker 2 keer per week plukken. Bovendien zorgt regelmatig plukken voor een langere en rijkere bloei = oogst (omdat de planten niet de kans krijgen om zaden te maken en dus nieuwe bloemen zullen proberen te maken). Je eet geoogste bonen het liefst dezelfde dag maar je kunt ze ook een paar dagen op een koele plaats bewaren (de koelkast is daarvoor eigenlijk net iets te koud).

Oogst droogbonen wanneer de peulen droog, dor en bruin zijn, en de planten verkleuren; haal de planten uit de grond, bind ze in bosjes en hang ze te drogen. Oogst de bonen wanneer deze makkelijk uit hun droge peulen te verwijderen zijn. Wanneer ze goed droog zijn vries je de geoogste bonen 3 volle dagen in, daarna nadrogen en koel en droog bewaren.

 

 

Op deze foto zie je wanneer je de bonen oogst voor droogboon of zaden: dan is het ondertussen herfst en de peulen zijn helemaal dor en bruin.

Over het invriezen van droogbonen en bonen voor de zaadteelt:

De bonenkever kan heel kleine gaatjes in boontjes maken om daar hun eitjes in te leggen. In de droge boontjes worden de larven geboren en die gebruiken het boontje als voedsel en vreten zich zo een weg naar buiten. Dat gebeurt zeker niet elk jaar en bij elke boon maar aangezien je het niet kunt zien of herkennen gok je het niet en vries je droogbonen en gedroogde bonen voor zaadteelt 48 uur in. Daarna laat je de bonen weer ontdooien en nadrogen en zijn eventuele eitjes in de bonen dood.

Klinkt misschien vies  en vreemd; dat verse bonen dus ook al ‘een vleesje’ kunnen bevatten 🙂 . Maar denk dan aan bijvoorbeeld de meeltorretjes die je nog wel eens kunt vinden in te oude patentbloem; die komen er ook niet van buitenaf in gekropen. En als je in een afgesloten ruimte een vrucht legt en vergeet – dan komen de fruitvliegjes ook niet van uiten aangevlogen. Allemaal hetzelfde idee 😉

Het klinkt misschien ook vreemd dat de zaden/droogbonen van zo’n warmtebehoeftige groente (een flinke nachtvorst is dodelijk) 2 dagen in de vriezer bij -20 graden overleven en dan ook nog kiemkrachtig blijven, maar het is echt zo. Ik heb het alleen nog nooit bij sojaboontjes geprobeerd want dat is een heel andere plant, maar na het drogen van de zaden van erwten, peulen, kapucijners, tuinbonen, sperziebonen, snijbonen en pronkbonen gaan die gedroogde bonen/zaden dus altijd 48 uur de vriezer in.

Verse boontjes vriezen we voor de maaltijd ook wel in; bij sperziebonen is dat altijd lastig, de worden toch slap en minder lekker na het invriezen, of we ze nu rauw invriezen, of geblancheerd. We eten ze zeker wel (want weggooien is zonde als je teveel hebt geoogst), en gebruiken ze dan bijvoorbeeld in sajoer boontjes. Maar de kwaliteit van ingevroren bonen vinden we van spekbonen, snijbonen en vooral pronkbonen heel veel beter. En als het lukt eten we zoveel mogelijk de verse sperziebonen in de zomer en bewaren we de snij-/spek-/pronkbonen voor de vriezer.

 

ZADTEELT

Bonen zijn éénjarig en in principe zelfbestuivend, maar kruisbestuiving kan gemakkelijk plaatsvinden als er meerdere rassen redelijk dicht bij elkaar staan. Onze ervaring is dat een plantafstand van een meter of 40 minimaal nodig is om kruisbestuiving te voorkomen. En voor alle duidelijkheid: stokbonen kruisen met stambonen, snijbonen kruisen met sperziebonen, spekbonen kruisen met droogbonen, etc., etc.. De enige uitzondering is de pronkboon (die dan ook net een andere soort is binnen de bonenfamilie); ponkbonen kruisen in principe niet of sporadisch (ik heb het nog nooit zelf gezien) met alle andere bonen.

De rijpe en gedroogde zaden van pronkbonen kunnen wit, zwart maar meestal zijn ze gespikkeld en gevlekt, en flink wat groter dan de zaden van de meeste sperziebonen en snijbonen

 

Het is op het voorkomen van kruisen na niet moeilijk om zelf zaden van bonen te winnen: laat een aantal peulen van een ras (dat je dus goed gescheiden houdt van andere rassen), volledig dor, droog en bruin worden (zoals bij de oogst van droogbonen). En oogst dan de dorre peulen, laat ze een week nadrogen op een warme en droge plaats en haal dan de boontjes uit de peulen. Vries de bonen 48 uur in. Daarna haal je ze uit de vriezer en laat ze ontdooien en nog een paar dagen drogen. Bewaar de zaden droog, koel en donker. De zaden zijn dan in ieder geval nog 3 jaar kiemkrachtig.