Maïs

Maiskolven

Maïs is een 1-jarig graangewas. Oorspronkelijk komt ze uit Mexico (ze wordt in Mexico dan ook in heel veel gerechten gebruikt, maar ook als basisproducten als maïsmeel, etc. Eigenlijk houdt de maïsplant dan ook van een warmer klimaat dan het Nederlandse, maar door het ontwikkelen en verbeteren van rassen zijn er wel rassen ontwikkeld die het ook in Nederland best goed doen.

Je kunt maïs als kolf eten maar ook de losse korrels (wat eigenlijk de zaden van de plant zijn) worden in gerechten gegeten.

Plant

Er zijn 3 soorten maïsplanten:

Voedermaïs (is landbouwmaïs of ook wel snijmaïs genoemd). Blijkbaar valt hier veel geld in te verdienen want het valt ons op dat op heel veel plaatsen in Nederland voedermaïs op grote velden verbouwd wordt. Deze maïsplanten maken vaak alleen heel blad en maar zelden/weinig maïskolven; de planten worden volledig verhakseld en zo als veevoer aangeboden.

Mais kolf

Zoete suikermaïs; geteeld voor de kolf. De zaadkorrel is glad van uiterlijk, zachtzoet en bevat vrij veel zetmeel.

Extra zoete suikermaïs; geteeld voor de kolf. De zaadkorrel is meer rimpelig en glanzend, de korrels bevatten meer suiker en minder zetmeel (dus zoeter en minder melig).

extra opmerking: ik onthoud altijd dat dat wat rimpelig is altijd meer suiker en minder zetmeel bevat. Glad en rond is minder suiker en juist meer zetmeel. Makkelijk te onthouden voor als je eens in een winkel zaden wilt kopen maar niet weet wat wat is, want het geldt voor maïs maar ook bijvoorbeeld voor doperwten.

De maïsplant is een forse plant. Ze heeft een dikke gevulde stengel en een krachtig wortelgestel. Bovenaan de plant vind je de mannelijke bloem (een graanachtige tros bovenop de plant). In 1 of meer bladoksels zitten de vrouwelijke bloeikolven (met daaraan de lila-achtige zijdezachte ‘haren’.

Teeltwijzen

Wij zaaien maïs zo half april onder koud glas voor, in potjes. Bescherm de potjes wel want muizen vinden ze erg lekker. De zaden kiemen vaak binnen 1 tot anderhalve week. De jonge zaailingen maken al gelijk een flink wortelgestel, vandaar dat we 1 zaadje per potje zaaien. Mocht je niet over een kas of platte bak beschikken, zaai dan vooral binnenshuis want buiten zaaien duurt langer, zijn er kapers (muizen, vogels) op de kust, etc. Je kunt zo ook gelijk al flinke zaailingen uitplanten die dan voldoende wortels hebben en zelf sterk genoeg zijn om vanaf het uitplanten voor zichzelf te zorgen.

Rassen

Het assortiment rassen dat geschikt is voor Nederland is niet heel groot maar wel nog steeds groeiend. Het bestaat dan wel ook voor een groot deel uit F1-hybrides.

Er zijn dus ‘zoete’ en ‘extra zoete’ rassen. Bij de extra zoete rassen wordt de omzetting van suikers in zetmeel sterk geremd. Ze bevatten daardoor meer suiker en minder zetmeel dan de normaal zoete rassen (voor wie het lekkerder vindt).

Zoete rassen zijn bijvoorbeeld Golden Bantam, Earliking F1, True Gold. Extra zoete rassen zijn onder andere Tasty Sweet F1, Applause F1, Optimum F1.

Siermais

Naast de hybriderassen zijn er nog zaadvaste rassen met witte, gele, blauwe of rode kolven – niet altijd zeer zoet maar voor een aantal mensen toch ook wel erg lekker (Peter Bauwens heeft een erg leuk boekje over Erwten, bonen en maïs geschreven, zie ook De Nieuwe Tuin. Ik teelde dit soort kleurrijke rassen vaak als siermaïs, erg leuk op de herfsttuintafel, blijft maanden goed en mooi op kleur (en als je ze laat liggen peuzelen vanzelf muizen en vogels de zaden op in de winter).

Een geheel andere variëteit is dan nog de popcornmaïs (Zea mays var. everta). Bij deze soort zijn de korrels kleiner en spitser. De korrels worden met wat olie in een pan met deksel gepoft. Een bekend ras van dit type is Peppy F1.

Bodem en bemesting

Maïs groeit goed op onze vette klei: veel voeding en goed vochtvasthoudend. De grond moet wel luchtig zijn zodat het flinke wortelgestel zich goed kan ontwikkelen. Daarom is goed luchtig maken en compost toedienen wel handig.

Mais groeit

Zelf geven we naast compost ook een flinke gift oude stalmest. En wat koemestkorrels of indien de bgrond dat vraagt wat bloed- en beendermeel. Mocht je geen bezwaar tegen kunstmest hebben kun je ook wat 12-10-18 geven. Maïs stelt ook prijs op wat extra Magnesium wat je kunt toedienen door wat magnesiumhoudende kalisoort te geven (zelf doen we dat zelden omdat Magnesium ook wel in zelfgemaakte compost voorkomt).

Standplaats

Maïs staat graag zonnig (logisch, gezien haar afkomst). Eigenlijk is maïs een grassoort, problemen in de vruchtwisseling zijn er dus met andere groentesoorten niet te verwachten, maar ze heeft ongeveer dezelfde bemestingsbehoeften als vruchtgewassen – vandaar dat ze het beste op dat stukje land kan staan.

Bovendien kunnen maïsplanten flinke planten worden. En zodoende kun je de planten ook nog gebruiken om als een soort van windscherm en warmtevanger te dienen voor andere (tere) vruchtgewassen, zoals komkommer, augurk, tomaat, etc.

Zaaien

Zaai maïszaden niet in koude grond, laat de grond eerst goed opwarmen door de zon. Zoals gezegd zaaien we zelf in 7- of 9 centimeterpotjes, onder glas, een centimeter of 2-3 diep. Geef voldoende water maar niet teveel, kletsnatte (en dan ook nog koude) grond zorgt voor schimmelende en rottende zaden. Na ongeveer een week (bij 20 graden) kiemen de zaden, en de groei gaat vrij snel: een week of 3 daarna kunnen de zaailingen al uitgeplant worden.

Zaaitabel en plantafstand:

Mais tabel

Planten

Maïs wordt bestoven door de wind. Ze staan daarom graag in groepen bij elkaar. Liever een aantal korte rijen achter elkaar dan 1 lange rij. Het zijn stevige planten die geen steun nodig hebben (zelfs hier in de flinke zeewind is er nog nooit een maïsplant omgevallen).

Mais plant

Teeltzorgen

Uiteraard moet je de groei van onkruid beperken door te wieden, maar doe dit niet met hakken maar met de hand; maïs heeft ook oppervlakkige wortels (ook diepe wortels hoor) en die oppervlakkige wortels wil je niet beschadigen.

“Dieven”: in de bladoksels verschijnen vaak zijstengels. Aan deze zijstengels komen ook wel kolven, maar die blijven vaak kleiner en/of zijn zelfs onvolgroeid. Houd de 2 of 3 kolven aan die uit de hoofdstengel komen en verwijder de zijstengels met eventuele kolfjes; de 2 of 3 aangehouden kolven uit de hoofdstam zullen niet alleen groter maar ook zoeter van smaak zijn.

Vooral rond de bloeiperiode moet je goed letten op de watervoorziening; gieten is dan heel belangrijk want bij te weinig vocht is er een minder goede vorming van de korrels.

Een vervelend verschijnsel is kruisbestuiving (zie ook bij “Zaadteelt”). Vreemd bestoven bloemen (van bijvoorbeeld voedermaïs) geven korrels waarin de suikers in zetmeel wordt omgezet, de smaak zal dan ergens tussen die van suikermaïs en voedermaïs in liggen. Stuifmeel van andere soorten maïs kan tot 500 meter ver “waaien” en dus kruisbestuiven! Alleen daarom zorg je voor een grotere groep maïsplanten in dubbele rijen naast en achter elkaar (zo bestuiven ze vooral elkaar). Hier hebben we er zowiezo weinig last van; op een volkstuin worden vooral zoete en dubbelzoete rassen geteeld en voor kruisen met voedermaïs hoeven we, midden in de stad in de Randstad, eigenlijk niet bang te zijn.

Oogst / bewaring

Suikermaïs oogst je vlak voor de kolf helemaal rijp is (het wordt ook wel melkrijp genoemd). De korrels zijn al geel maar nog wel zacht. Aan de draden die boven de kolf uithangen kun je zien wanneer de kolven rijp zijn om te plukken; als deze niet meer zijdezacht en lila-achtig groen zijn maar donkerbruin en verdroogd zijn, zijn ze rijp (je kunt dat een beetje zien op de eerste foto bovenaan de pagina – je ziet dat de draden al verdrogen en verdorren maar nog niet helemaal tot in de kolf – de kolf op de foto moet dus nog even doorrijpen).

Het moment van plukken luistert vrij nauw: te vroeg geplukte kolven geven zachte wittig gele onvolgroeide korrels die flauw smaak. Te laat geoogste kolven geven harde gedeukte korrels die melig zijn (de suikers zijn dan ondertussen omgezet in zetmeel). De oogst ligt ergens tussen begin augustus en eind september en duurt ongeveer 4 weken.

Van een geoogste kolf vermindert het suikergehalte vrij snel (om te zorgen dat ze zich kan vermenigvuldigen worden na de pluk in de zaadkorrels de suikers snel omgezet in zetmeel). Eet ze dus het allerliefst dezelfde dag, zo vers mogelijk.

In de koelkast zijn maïskolven enkele dagen te bewaren maar de extra zoete kwaliteit wordt dan wel minder. Je kunt ook de kolven direct na de oogst 6 minuten in water koken; dit stopt de omzetting van suikers in zetmeel. Daarna kun je de kolven drogen, roosteren of bijvoorbeeld invriezen.

Ik heb dat zelf eerlijk gezegd nog nooit geprobeerd hoor, hier eten we niet zo veel maïs, en de maïs die we eten worden op de dag dat we ze plukken gegeten. Alles wat we niet eten gaat naar de kippen van een goede vriend; die lusten de melige en de zoete korrels, het lijkt ze niks uit te maken 🙂

Zaadteelt

Dit is niet gemakkelijk; de kans op kruisbestuiving is heel groot als er binnen een straal van 500 meter andere maïssoorten worden geteeld (ik las in het boek Seed to Seed zelfs een afstand van 3 kilometer, lastig op een volkstuin 🙂

De enige juiste manier is zelf bestuiven. Doe een papieren zak (plastic verstikt en zorgt voor condens) ondersteboven over de vrouwelijke bloeikolven (een papieren broodzak is handig). Als de mannelijke graanachtige bloem stuifmeel afgeeft verwijder je het doek en bestuif je de kolf met de hand. Doe dat wel heel zorgvuldig; elke zijdezachte draad van de vrouwelijk bloem zorgt voor 1 maïskorrel, las ik, dus zorg dat je zoveel mogelijk van die zijdezachte draden bestuift. Daarna bind je het doek weer om. Laat de kolf volledig aan de plant rijpen. Oogst de kolf voor de eerste nachtvorst, droog ze en oogst de korrels.