Groenbemesting

Sinapsis alba blad 1

Naast de “gewone” mestsoorten zoals de bekende kunstmestsoorten, patentkali, bloedmeel, beendermeel, etc. (zie het hoofdstuk over Bemesting wordt ook wel eens gesproken over “groenbemesting”. Wat is dit precies?

Groenbemesters zijn gewassen die we telen, niet voor consumptie, maar voor hun bodemverbeterende en mesttoevoegende eigenschappen. Het zijn gewassen die we direct onder kunnen spitten of kunnen oogsten en dan de composthoop ermee kunnen vullen (het eerste is overigens het meest gebruikelijke).

Wat levert het gebruik van groenbemesters op?

Humus; door het onderspitten van de gewassen voeg je organisch materiaal aan de bodem toe (en dat levert dan weer licht en lucht in de bodem op, een gezondere bodem met veel “leven”, etc.

Het houdt voedingsstoffen vast: de soorten die je in de nazomer zaait nemen in de winter de voedingsstoffen op die anders vaak door regen uit de bodem worden uitgespoeld. Bij het onderspitten in het vroege voorjaar komen deze voedingsstoffen weer vrij in de bodem. Sterker nog; sommige soorten groenbemesters wortelen zeer diep en kunnen zo uit de onderlaag voedingsstoffen opnemen die dan vervolgens bij het onderspitten in de bovenlaag weer vrijkomen.

Bescherming van de grond: door de bedekking voorkomt de groenbemester aantasting van de bodem; het weert onkruid, voorkomt uitspoeling door regen, voorkomt verwaaien van zanddeeltjes en gronddeeltjes en daardoor erosie. Het voorkomt het “dichtslaan” van de grond bij hevige regenval. Het verbetert door de worteling de afwatering (de diepwortelende soorten dan), etc.

Vastleggen stikstof; sommige groenbemesters kunnen door bacteriën stikstof vastleggen uit de lucht en die aan de bodem beschikbaar stellen (vlinderbloemigen staan hierom bekend).

Bodemontsmetting: sommige groenbemesters hebben een bodemontsmettende werking (Tagetes, Tropaeolum, Calendula)

En dat klinkt allemaal goed. Toch zijn er ook wel een heel klein aantal negatieve eigenschappen van groenbemesters te verzinnen:

Het kost wel wat (aankoop zaden) en het neemt ook plaats in; zeker als hoofdteelt vind ik zelf een groenbemester wel eens “zonde van de plaats” (er hadden namelijk bijvoorbeeld smakelijke boontjes op geteeld kunnen worden). Is je tuin echter groot genoeg of heb je een stuk tuin waar toch niets groeit en die je eerst eens echt aan moet pakken m.b.t. bodem en bemesting is het ideaal. Haak niet gelijk af als je tuin minder groot is of wanneer je het ook zonde van de ruimte vindt want er zijn ook groenbemesters die je als nateelt kunt zaaien!

Groenbemester moet ook gewoon in de Vruchtwisseling passen. En ik vind persoonlijk de vruchtwisseling plannen al moeilijk genoeg om ook nog rekening te houden met groenbemesters die vooral uit kruisbloemigen, vlinderbloemigen en grassen bestaat. Gelukkig zijn er ook groenbemesters waar geen rekening mee hoeft te worden gehouden in de vruchtwisseling.

Sommige groenbemesters kunnen zich wel min of meer hinderlijk uitzaaien. Nou ja, dat is gewoon een kwestie van de bloemen afknippen voor de zaadvorming en/of de groenbemester tijdig onderspitten.

Groenbemesters hebben voeding nodig; dat klopt; om te groeien gebruiken groenbemesters voedingsstoffen uit de grond. Daarentegen sparen ze ook voedingsstoffen uit die anders uitgespoeld zouden zijn door regen of door onkruid zouden zijn opgenomen. En uiteindelijk geeft ze ook weer organisch materiaal inclusief voedingsstoffen terug. En zo lang ze meer spaart en teruggeeft dan ze gebruikt……

Uiteindelijk hangt dus veel af van de soort groenbemester zelf en de tijd dat je die zaait. Hieronder volgt dan een opsomming van de groenbemesters die er zijn en hun eigenschappen. Aan de hand van die eigenschappen kun je zelf bepalen of ze geschikt zijn voor je eigen tuin.

Kruisbloemigen

Om gelijk maar met de minst gunstige en minst populaire groep te beginnen. Deze groenbemesters hebben als eigenschappen vaak gemeen dat ze veel blad en stelen maken (goede onderdrukking onkruid), en het zijn goede bijenplanten. Nadeel is dat ze, afhankelijk van de soort, in mindere of meerdere mate waardplanten zijn voor knolvoet, familie van de koolgewassen, en dat ze dus in de vruchtwisseling mee moeten draaien. Ze mogen in ieder geval 4 jaar lang niet op het perceel van koolgewassen gezaaid worden (en anders dus ook; koolgewassen mag je niet telen op percelen waar in de laatste 4 jaar een groenbemester uit deze groep is geteeld. Om die reden zal ik deze groep ook maar kort benoemen. Ze is eigenlijk vooral interessant voor een nieuw stuk grond of voor mensen die niet van kolgewassen houden en ze dus zelden telen.

Bladkool (Brassica napus napus)

Vooral geschikt als nateelt. Maakt veel bladmassa, gebruikt zelf relatief veel voedingsstoffen uit de grond. Zeer gevoelig voor knolvoet.

Gele Mosterd (Sinapsis alba) – foto bovenaan de pagina

Snelgroeiend, kan zowel als hoofdteelt als nateelt worden gezaaid. In zomerteelt wel afknippen omdat ze zich anders uitzaait. In nateelt bevriest ze in de winter en laat dan een mooie losse grond achter. Sterk gevoelig voor knolvoet.

Raap (Brassica rapa)

Geschikt als nateelt (maar wel voor half september zaaien). Gebruikt ook relatief veel voedingsstoffen uit de grond, redelijk gevoelig voor knolvoet.

Bladrammenas (Raphanus sativus oleiferus)

Deze Rammenas maakt nauwelijks een knol maar vooral veel blad. Vooral geschikt voor nateelt, bevriest snel en kan dan gemakkelijk ondergewerkt worden. Waardplant voor het bieten-cystenaaltje, weinig bevattelijk voor knolvoet.

Vlinderbloemigen

De vlinderbloemigen staan bekend om het feit dat ze stikstof uit de lucht kunnen “vangen” en vastleggen in de bodem (aan de wortels). Ze bedekken de grond redelijk goed en wortelen redelijk diep, maar leveren relatief weinig organisch materiaal. Ze kunnen wel uit diepere lagen van de bodem voedingsstoffen opnemen en die later aan de bodem afgeven. Vlinderbloemige groenbemesters zijn uiteraard wel familie van de vlinderbloemige groenten als erwten, peultjes, bonen, tuinbonen, kapucijners en moeten dus wel meesdraaien in de vruchtwisseling. Niet zo streng als bij de kruisbloemigen maar zaai minimaal 1 jaar, en liever nog 2 jaar geen vlinderbloemige groenbemesters voor of na peulgewassen.

Gele Lupine (Lupine luteus)

Eenjarig, vooral geschikt voor lichte zanderige zure gronden. Legt goed stikstof vast, groeit in het begin traag maar later levert ze voldoende organische stof.

Alexandrijnse Klaver (Trifolium alexandrinum)

Deze klaver kan zowel als hoofdteelt als nateelt gezaaid worden. Ze bevriest in de winter, wortelt niet zo diep maar levert goed stikstof uit de wortels.

Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum)

Wortelt ondiep en legt minder stikstof vast dan bij de andere Klavers. Maar groeit snel en daardoor geschikt voor nateelt, levert een gemiddelde hoeveelheid organische stof.

Rode Klaver (Trifolium pratense)

Vaste plant, alleen geschikt als hoofdteelt. Legt voldoende stikstof vast en is groter als plant en levert daardoor meer organische stof.

Witte Klaver (Trifolium repens)

Vaste plant, is alleen geschikt als hoofdteelt. Bevriest niet en heeft de neiging in het voorjaar weer gewoon “boven te komen”. Daarentegen wel een goede stikstofbinder.

Serradella (Ornothopus sativus)

Levert een gemiddelde hoeveelheid stikstof. Bedekt de grond niet volledig hetgeen wieden noodzakelijk maakt. Daarentegen maakt ze zeer lange penwortels die goed zijn voor de drainage van de grond. Allen geschikt als hoofdteelt.

Veldboon (Vicia faba)

Familie van de Tuinboon. Legt relatief veel stikstof vast maar bedekt de grond niet volledig (wieden).

Wikke (Vicia sativa)

Ze bedekt de grond niet helemaal goed (hetgeen wieden noodzakelijk maakt), bevriest gemakkelijk en levert een goed hoeveelheid stikstof. Kan tot 20 augustus gezaaid worden.

Grassen

Persoonlijk? mijn favoriet. Waarom? Omdat ze niet in de vruchtwisseling mee hoeven te draaien (grassen hebben geen familie in de groentewereld). Verder bedekken ze over het algemeen de bodem heel goed. Geven geen stikstof maar leveren wel veel organisch materiaal (en elke grondverbeteraar is zeer welkom op onze vette klei). Ze gebruiken relatief veel voedingsstoffen maar houden die dan ook weer vast, samen met een teveel aan vocht in de winter. Op klei moet altijd gespit worden dus voor ons geen probleem. Voor mensen die normaal gesproken niet spitten is het even wennen want gras-groenbemesters moeten wel ondergespit worden.

Engels Raaigras (Lolium perenne)

Sterk en snelgroeiend. Levert niet zo veel stikstof, heeft zelf voedingsstoffen nodig om te groeien maar levert veel organisch materiaal. Bevriest niet snel.

Rogge (Secale cereale)

Kan zowel als hoofdteelt als nateelt gezaaid worden. Kan zelfs tot half oktober nog gezaaid worden en daardoor zeer geschikt als late nateelt. Ze wordt dan pas in het voorjaar ondergespit. Levert relatief weinig stikstof, wel veel organisch materiaal en bedekt de grond goed.

Westerwolds raaigras (Lolium multiflorum westerwoldicum)

Mijn favoriet. Bedekt de grond zeer goed met frisgroen blad. Is wel wat lastig onder te spitten in de winter omdat ze relatief dikke vaste wortels maakt. Wellicht beter wachten tot in het vroege voorjaar, wanneer ze afsterft. Levert veel organische materiaal en kan tot half september gezaaid worden. Levert niet zo veel stikstof

Overigen

Borago plant 2

Ook mijn favoriet, samen met de grassen. Deze soorten zijn niet verwant aan groenten en hoeven dus ook niet in een vruchtwisseling te worden aangepast. Daarentegen zijn sommige soorten niet alleen nuttig maar bloeien ook nog mooi (en dat is altijd een leuke bijkomstigheid 🙂

Bernagie (Borago officinalis) – foto

Komkommerkruid kan tot eind augustus nog gezaaid worden. Geschikt voor kleigronden omdat ze relatief veel vocht nodig heeft. Groeit snel maar bedekt de grond niet volledig. Bevriest snel. Enige nadeel: verwijder wel de zaden want ze heeft de neiging om zich behoorlijk uit te zaaien.

Boekweit (Fagopyrum esculentum)

Heeft amper voedingsstoffen nodig om te groeien en doet het daarom ook zeer goed op arme zandgronden. Bijenplant, zeer gevoelig voor vorst.

Phacelia (Phacelia tanacetifolia)

Bijenplant met mooie lilapaarse of roze bloemen. Groeit snel en bedekt de grond goed, daardoor houdt ze onkruid goed tegen. Geschikt als hoofdteelt, ze kan heel slecht tegen lage temperaturen. 60 dagen na het zaaien zijn de planten al zo sterk ontwikkeld dat de wortels al gaan afsterven en de bodem dus profijt krijgt van de planten. De wortels schijnen ook de ontwikkeling van aaltjes te remmen.

Spurrie (Spergula sativa)

Vooral geschikt voor lichte zanderige gronden. Snelgroeiend, goed bestand tegen droogte. Bedekt de grond redelijk. Zaaien tot 15 augustus, sterk vorstgevoelig.

Nou, en dan tot slot nog even wat algemene tips m.b.t. groenbemesters. Het is echt de moeite waard om ze eens te zaaien maar zoals al eerder duidelijk gemaakt; zoek vooral de juist soort uit die bij je grondsoort past en in je vruchtwisseling past. Onze favorieten zijn in ieder geval Westerwolds Raaigras en Phacelia. Bedenk echter dat er ook gewassen zijn die niet officieel tot de groep groenbemesters horen maar daarom niet minder nuttig zijn. Wij zelf zaaien in de late zomer altijd veel herfstandijvie en winterandijvie. De grote hoeveelheid kroppen die we niet opeten (we vinden ze ingevroren niet zo lekker – houden meer van rauwe andijviestamp dan van gekookte andijvie 🙂 spitten we in de winter gewoon onder. Dat doen we ook met een laatste krop sla of bladcichorei. Zelf nog nooit geprobeerd maar ook zeer geschikt hiervoor zijn spinazie, tuinkers, postelein en veldsla (zonde!! 🙂

Dan zaaien we vaak langs randen van percelen nog bloemen. Zoals Calendula, Tropaeolum (geweldig – alle luis in de Tropaeolum en de bonen luisvrij), Tagetes. Tagetes gaat in de winter op de composthoop. Tropaeolum en Calendula worden echter in de winter gewoon ondergespit.

Algemene tips m.b.t. groenbemesters:

Bij soorten die wat meer voedingsstoffen nodig hebben om te kunnen groeien is een lichte bemesting een week of 3 voor het zaaien wel handig (een paar handjes koemestkorrels bijvoorbeeld).

Maak de grond los voor het zaaien, en onkruidvrij uiteraard

De meeste groenbemesters zaai je breedwerpig. Bij de soorten met een minder goede grondbedekking of een trage start kan het handig zijn om in rijen te zaaien zodat je de eerste tijd makkelijker kunt wieden.

Houd je vooral aan de opgegeven hoeveelheden. Op elke verpakking kun je vinden wanneer en hoe veel je moet zaaien.

Aardappelen groeien graag op een perceel waar in de winter ervoor groenbemester is ondergewerkt.

Zaai geen groenbemester die veel stikstof levert op een stuk waar in de zomer erop peulgewassen (houden niet van stikstof) of wortelgewassen (levert veel blad maar weinig knol) komen.

Bedenk dat je niet aan 1 groenbemester vast zit. Je kunt op verschillende stukjes grond verschillende groenbemesters zaaien. Je hoeft ook niet op elk stuk een groenbemester te zaaien, zaai het vooral waar je het nodig hebt en waar je de gelegenheid krijgt (doordat een bepaalde groente al vroeg geoogst kan worden). En wat let je om 2 of 3 soorten groenbemester te mengen (kies dan wel soorten die in dezelfde periode gezaaid kunnen worden). Bijvoorbeeld wikke (voor stikstof maar niet goed de grond bedekkend) mengen met rogge (voor de organische stof en de grondbedekking). Blijf uiteraard wel goed letten op de vruchtwisseling.

Tot slot: groenbemester is zeker geen ‘must’, wij hebben soms wel 3 of 4 jaar helemaal geen groenbemester gebruikt, en dan soms 2 jaar achter elkaar weer wel. Ik zie zelf groenbemesters als een waardevolle aanvulling op anders meststoffen, niet noodzakelijk maar wel heel prettig, maar je moet er wel ruimte in een bepaalde periode voor hebben. Als we die ruimte hebben, dan heel graag. En zo niet, dan is het zeker ook geen ramp.