Intafelen en trekken

Het zijn 2 termen die bij de witlofteelt worden gebruikt. Ik geef het toe; het is jaren geleden dat we voor het laatst witlof teelden. Vroeger (een jaar of 15 geleden) hebben we het een paar jaar geprobeerd. We waren er toen niet zo tevreden over. Het kostte in onze ogen veel tijd, voor de wortels om te groeien (en dat deden ze ook niet heel goed in de vette vaste natte klei). En daarna moesten ze afsterven/drogen/rusten en vervolgens mee naar huis. Daarna sjouwden we dan emmers met zand de 2 trappen op naar zolder. Daar plantten we de wortels en oogstten we wel wat witlofstronkjes en die waren ook echt lekker. Maar we vergaten ze ook wel eens waardoor we vervolgens 4 weken later weer losse of rotte frutjes witlofblaadjes weg konden gooien. En dan konden we weer opruimen en sjouwden we de emmers zand weer de trap af. We vonden het vooral veel gedoe voor een matig succes.

Nee, witlof telen was niks voor ons. Maar uiteindelijk veranderen we allemaal. Vroeger vond ik chrysanten zo lelijk dat ik ze uit een boeket bloemen haalde als er toevallig één in zat. Nu vind ik ze eigenlijk best mooi. Nou ja, ik zal niet overdrijven; ik zal ze zelf niet zo snel zaaien en ik koop geen herfst-bolchrysant, dat gaat me te ver. Als kind vond ik bloemkool smerig, nu is dat zeker niet meer het geval. Al had dat ook veel te maken met dat melkachtige maïzenapapje met belachelijk veel nootmuskaat dat mijn moeder er steevast overheen goot. Ik vind kort gekookte bloemkool nu heerlijk, maar het papje hoef ik niet, en fan van nootmuskaat zal ik nooit meer worden. Maar dat komt omdat dat ook door de sperziebonen ging, en over de koolraap (die hier door mijn ouders knolletjes werden genoemd, en door mij en mijn broertje ‘dooie vingers’, omdat het van die oranjebeige langwerpige stokjes waren). Ze werden uiteraard ook weer grof bestrooid met nootmuskaat. Dat we geen nootmuskaatvergiftiging hebben opgelopen is bijna een wonder.

Maar afijn, ik wilde hier iets schrijven over witlof. Want ik zeur al een paar jaar tegen Ruud dat ik weer eens witlof wil telen. Ruud vond dat geen goed plan, om de al genoemde redenen van het sjouwen met zand, de lange teelt, dubbel werk, slechte oogst, etc..

Maar na 2 halfslachtige pogingen in de afgelopen 2 jaar heb ik er dit jaar wel mijn best voor gedaan, ze in mei in een verhoogde bak gezaaid (met daarin een luchtige grond waardoor de wortels goed zouden kunnen groeien). Ik heb ze in de zomer nog wat extra kali gegeven voor een goede wortelontwikkeling. En nu wilde ik wel eens zien of het na al die jaren, met meer zin, kennis en kunde, wat beter zou lukken.

De witlofplanten dit jaar, ze zien er toch best goed uit, vind ik zelf:

 

Ons eerste discussiepunt was het blad: moest dat er nu af of niet wanneer je de wortels oogst en laat rusten/drogen? Ik dacht dat het blad eraf moest, Ruud vond van niet. En terwijl daarover kibbelden zag Ruud Corry over de dijk voorbij fietsen, die kwam vast naar de tuin. En voor alle duidelijkheid, Corry behoort tot één van de allereerste leden van onze volkstuinvereniging, is vrijwel zelfvoorzienend als het om groenten gaat en kan zelfs van een misvormde en uit de kluiten gewassen rode biet nog wat lekkers maken. En Ruud en ik weten allebei dat Corry al die jaren elk jaar witlof teelt.

“Ga het aan Corry vragen”, zegt Ruud. Dat vond ik een goed idee, en ik was ook blij dat Ruud, ondanks zijn eerdere scepsis, er nu toch zijn min of meer zijn best voor wilde doen.

Na ruim een half uur les te hebben gehad van witlofgoeroe Corry liep ik weer terug naar onze tuin, flink wat informatie rijker. Ze heeft het zelfs even voorgedaan want ze wilde er zelf toch ook gelijk wat oogsten om in te tafelen.

Intafelen is niets anders dan het ‘oppotten’ van geoogste witlofwortels. Corry oogst de wortels maar laat ze niet afsterven of drogen, dat vindt ze gedoe en dan vergeet ze ze, “Nergens voor nodig”, zegt ze. En ik ben een goede leerling, nu we eindelijk weer eens witlof telen ga ik het doen zoals iemand met kennis en ervaring het aanraadt en beloof ik mezelf (en Ruud) om niet eigenwijs te zijn.

“Niet teveel tegelijkertijd, want ze zijn ook allemaal tegelijkertijd klaar”, zegt Corry en dat klinkt logisch. Corry doet er een stuk of 10 in een emmer en de rest wacht in de grond tot de volgende oogst.

 

Misschien hadden de wortels iets dikker mogen zijn maar we zijn best tevreden.

Zoals gezegd, Corry laat ze niet drogen/rusten maar neemt ze direct mee naar huis, zet ze in een emmer met vochtige tuingrond en zet de emmer in de kruipruimte onder het huis. “Dat is koeler en dus beter dan een te warme zolder”. De kruipruimte is hier geen optie, dan moeten we telkens het zeil in de gang helemaal opklappen, houten plankjes weghalen, etc.. Wij kiezen hier daarom voor de schuur; die is donker, waarschijnlijk iets warmer dan de kruipkelder maar zeker koeler dan de zolder. En er hoeven geen emmers naar zolder.

Zo gaan er wat wortels mee naar huis, van witlof en ook wat roodlof.

 

“Gooi je kleine, korte, dunne of gebroken wortels weg?”, vraag ik aan Corry. “Nee hoor, dat worden kleine of dunne witlofkropjes maar die zijn net zo lekker, zegt ze. Ik moest gelijk denken aan mijn moeder die vroeger altijd zei: “Kruimeltjes zijn ook brood”. 🙂

“En als ze vreemde uitstulpingen hebben die niet in de emmer passen of te lang zijn, dan mag je die er ook best afsnijden, of ze wat inkorten. Maar laat wel minimaal 3 centimeter blad boven de wortel zitten, want zonder zo’n rand blad kan ze niet uitlopen”, waren de laatste tips die Corry nog meegaf.  Oh ja, en het afgesneden blad kun je eten, als een soort groenlof (bittere sla).

We hebben een emmer gevuld met wat grond uit de tuin en een restje potgrond dat nog in de schuur stond. Voeding is niet nodig want die zit voldoende in de wortels. Water is in principe ook niet nodig want de grond is vochtig.

We vullen de emmer met een laagje grond, zetten de 10 wortels erin en vullen de holtes ertussen op met grond. Het is een beetje kliederen maar dat is in de voortuin minder erg dan op zolder, en we zijn er uiteindelijk binnen 10 minuten klaar. In mijn herinnering waren we er een halve dag druk mee, toen we ze nog op zolder teelden.

En zo gaat de emmer de schuur in:

 

Eigenlijk dus helemaal niet zo veel werk. En vergeten kan ik ze ook niet. Telkens wanneer ik de schuur inga kijk ik even om de hoek naar de emmer. Stiekem is het zelfs leuk, bijna net zo leuk als elke dag in het voorjaar even kijken of bijvoorbeeld de peper- of tomatenzaden al kiemen.

Het is nu wellicht niet ideaal want de buitentemperatuur is voor half oktober aan de hoge kant (dus ook in de schuur). Maar het is maar een eerste probeersel, er staan zeker nog 25 planten in de tuin te wachten om ook ‘getrokken’ te worden.

Want zo heet het nu; het planten van de wortels in de emmer heet intafelen, en nu gaan we witlof trekken: de wortels willen in de donkere schuur weer nieuwe bladeren maken en dat worden daardoor kleine witte kropjes. Ik hoorde van onze tuinbuurman dat we daarom eigenlijk zouden willen dat de wortels relatief warm staan (om ze aan te sporen uit te lopen), maar de lucht relatief koud blijft (zodat de kropjes mooi compact en gesloten blijven). Nou ja, dan worden het met dit weer maar losse kropjes. Als ze maar lekker zijn.

Één week na het intafelen:

 

Ze doen het!!!

Je kunt zien hoe ze tussen de afgesneden bladeren bijna naar boven wordt geduwd. Misschien zou ‘witlof duwen’ een betere term zijn dan ‘witlof trekken’. Want wij doen er niks aan, alleen elke paar dagen even kijken en voelen of de grond nog vochtig is, ze doet het echt helemaal zelf. Ingenieus eigenlijk.

En ondertussen zijn we nog een week verder, dus 2 weken na het intafelen:

 

Ja, het gaat er al een beetje op lijken. Afhankelijk van de temperatuur kan er ongeveer 4 weken na het intafelen worden geoogst, heeft Corry gezegd. Misschien wordt dat door deze warme herfstdagen wel wat eerder.

We zijn benieuwd hoe het af gaat lopen, ik laat het uiteindelijke resultaat zeker nog zien. En zodra de witlof is geoogst en de wortels zijn verwijderd gaan we de emmer weer vullen met nieuwe wortels. Want we hebben de smaak te pakken. En zo moeilijk en tijdrovend is het dus helemaal niet, de planten hebben weinig verzorging nodig. En uiteindelijk blijkt dat intafelen een fluitje van een cent en het trekken van de witlof doet ze zelf. Nu nog oogsten en er wat lekkers mee maken!

Tot slot nog even de mededeling dat ik een definitieve datum heb gezet voor de zadenlijst (onderaan deze pagina): Zadenlijst – nieuws.

En nog even de link naar het blog dat ik op de website van Pokon schreef. En die gaat over de zoete aardappelen die we vorig week hebben geoogst: Zoete aardappelen deel 2: de oogst.   En daar hoort deze laatste foto bij, ook daar zijn we blij mee!

 

Vooroordelen

Ik merk het aan alles; de herfst is nu echt begonnen. De kachel gaat weer aan, het wordt steeds vroeger donker, bladeren vallen, ik verruil water voor thee (en witte wijn voor rode). We hebben al zuurkool gegeten (gekocht, dit jaar niet zelf gemaakt, door een gebrek aan tijd en spitskool), en ik krijg mijn handen niet meer schoon (door alle grond cq modder). Ruud’s opruimwoede wordt alleen nog getemperd doordat het soms zo hard regent dat we niet naar de tuin kunnen. En als we wel naar de tuin kunnen moeten we regelmatig schuilen. Dat is niet erg want in de kas is het goed vertoeven.

Zo zag ze er 3 weken geleden uit, direct na het uitplanten:

 

En is dit hetzelfde hoekje, 3 weken later:

 

De herfst- en winterkas begint tot leven te komen. Het is jammer dat onkruid altijd het eerst en het best groeit, maar ach, dat geeft ons wat te doen als het buiten regent.

Eén van de soorten die we in de andere kas al hebben kunnen oogsten is spinazie. Niet heel veel, met dank aan de mol die daar nog steeds rondwaart, maar genoeg om in een risotto te gebruiken. Ik kan hopen dat ze nog wat nieuwe blaadjes geeft maar die tweede oogst is altijd nog wat kleiner. Ik heb daarom besloten er nog snel iets anders voor in de plaats te zaaien ‘Witte Dunsel’.

Wat een afschuwelijke naam. Ze wordt ook wel snijsla genoemd (dat klinkt beter). En ze kan goed tegen kou. En daarmee dacht ik altijd dat ze dan heel veel op pluksla zou lijken (dan klinken de 2 pluksla-rassen ‘Amerikaanse Roodrand’ en ‘Australische Gele’ niet spectaculair maar wel beter). Maar de pluksla die ik op dezelfde dag als de snijsla in de kas zaaide is kleiner (deels ook door de mol), krulliger, ieler. Niet slecht, maar niet zo goed als Witte Dunsel.

Wat is nou Witte Dunsel? Ik weet natuurlijk wel dat die naam duidt op de witte zaden en het feit dat je het dicht op elkaar zaait en er de volgroeide blaadjes van snijdt. Maar ik moet bij de naam denken aan behangerslijm. Of erger nog; aan een dun straaltje kwijl uit een mondhoek. Hoogst onaantrekkelijk. Ik zie de soort/het ras al jaren in catalogi voorbij komen. Maar ik las er altijd graag en snel overheen. Ik heb haar al die jaren categorisch genegeerd en nu blijkt ze mijn grootste ontdekking van dit jaar te zijn. Terwijl ik dit schrijf klinkt het bijna als discriminatie van groenten met een slechte naam.

Sterker nog, ik vroeg me af of ze in bijvoorbeeld Engeland of Frankrijk ook zou worden verkocht en geteeld. Maar ik kan haar alleen maar onder de Nederlandse naam vinden. Ik gooide er zelfs even Google Translate tegenaan, de vertaling van Witte Dunsel naar het Engels is ‘White Slime’. Zie je!! Ik wist het wel!!

Ik weet ook eigenlijk niet eens waarom ik haar dit jaar wel heb gekocht, waarschijnlijk omdat ik nu eenmaal soorten zocht die in de herfst- en winterkas zouden kunnen passen, toch na al die jaren maar eens een proberen dus.

En ze doet het geweldig 🙂 . Ik hoop er later nog wat meer over te schrijven, hoe lang ze mooi blijft, wat er gebeurt als het gaat vriezen, etc..

En ik ga haar volgend jaar in vroege lente en herfst ook buiten zaaien. Sterker nog, misschien komend weekend even doen, kijken of en wat dat nog wordt (ik heb al dan niet toevallig deze week een verhoogde bak voor een deel leeg- en schoongemaakt). En ik ga haar in januari weer in de kas zaaien. Allemaal testjes. Want ze kan volgens de catalogi heel goed tegen kou en regen, en ze kan juist slecht tegen warmte en droogte. En ze groeit snel bij koele temperaturen. Dicht op elkaar gezaaid (ongeveer 4 zaadjes per centimeter) ziet ze er binnen een maand na het zaaien zo uit:

 

Ik maakte deze foto gisteren. En zondag gaan we er voor het eerst meer van oogsten en er een lekkere salade mee maken. Ik heb natuurlijk al wel blaadjes geproefd; en heel anders dan de naam doet vermoeden smaakt ze heerlijk; mals, zacht (bijna een beetje als veldsla maar toch anders). En dan die kleur; fris lentegroen in de donkere herfst.

Ik schijn er na het afknippen nog een keer van te kunnen oogsten en dan is het voorbij. Dat zou vooralsnog dan haar enige nadeel zijn ten opzichte van pluksla, want daar kun je onder gunstige omstandigheden meer dan 2 keer van oogsten. Ik ga het ervaren en hier zeker laten weten.

Dan toch nog even over die naam want dat blijft me dwars zitten; kan die niet gewoon worden omgedoopt in iets aantrekkelijkers? Ik weet zeker dat er gelijk twee keer zoveel zakjes zaden van zouden worden verkocht. Alleen al aan mij 🙂 .

Ze is trouwens niet de enige die het goed doet in de kas hoor. Nog wat foto’s:

Rucola:

 

En kervel:

 

Maar de grootste verrassing blijft voor mij Witte Dunsel. Dat ik dat ooit nog eens zou zeggen….

Tot slot nog even:

Ik heb de pagina Zadenlijst Nieuws bijgewerkt (onder het eerder geschreven stukje), inclusief datum waarop ik hoop en denk de zadenlijst te kunnen openen.

En ik heb citroengras geoogst (uit de volle grond in de kas). Ik heb de pagina over citroengras bijgewerkt en foto’s van de oogst geplaatst: Citroengras. Hier ook maar even een foto van de oogst. Van slechts 4 gestekte stengeltjes in januari oogstte ik vorige week ruim 35 dikke en lange stengels:

 

En de volgende keer hoop ik iets te kunnen melden over de witlof. Dat is ook zo’n vooroordeel (ik spreek uiteraard voor mezelf en voor Ruud). We hebben het misschien wel 12 jaar geleden voor het laatst geteeld en vonden toen dat het veel tijd en werk kostte en het lukte niet zo goed (slechte kwaliteit wortels, losse kropjes, etc.). Maar er zijn ondertussen andere rassen, en we telen de wortels niet meer in natte zware klei maar in een verhoogde bak met luchtige/verbeterde grond. Voor nu hebben we hoop om voor het eerst in jaren weer zelf witlof te kunnen oogsten van eigen tuin!

Het einde van het monster

Ik schreef in mei een blog over het verticaal telen van pompoenen, het waarom en hoe kun je in dat blog vinden: Verticaal

Zo zag het er in mei uit:

 

In juli schreef ik vervolgens een update: Oerwoud (en dat was een goed gekozen titel). Ondertussen zag het bouwsel met planten er zo uit:

 

En hier komt dan het laatste deel uit die trilogie. Want toen we een paar droge uurtjes troffen in deze verder kletsnatte week hebben we de pompoenen geoogst, de planten opgeruimd en het rek afgebroken. Aan het begin van de week zag het er zo uit:

 

En zo:

 

Heel eerlijk; zelfs in de herfst vind ik de planten in het bouwwerk  nog leuk, ook al ruikt het geheel nu muf, plakken dode bladeren aan mijn shirt en glijd ik uit over de natte mest/compost.

De grote vraag is of ik er uiteindelijk tevreden over ben. En het antwoord is Ja en Nee. De opsomming:

  • Ja, het was een test en voor de eerste keer dat ik pompoenen op deze manier teelde
  • En ja, het was leuk, het was een mini-jungle, bijna sprookjesachtig groen onder de lange slungelige stengels met grijparmpjes

 

  • Ja, het was dus een oerwoud. In het begin moest ik regelmatig helpen door de stengels omhoog te leiden en op te binden, eenmaal boven gekomen was af en toe een stengel over een stok heen slingeren voldoende. Waar planten niet verder konden slingeren tuimelden ze vanzelf naar beneden en sommige planten kropen vervolgens gewoon over de grond nog wat verder. Maar alles 22 planten waren min of meer in toom te houden
  • Ja, het rek heeft het gehouden, zelfs in die enorme hagelstorm die in augustus akelig dichtbij een kleine windhoos kwam en wel heel veel schade aan het blad gaf
  • Maar nee, ik heb het niet heel slim aangepakt.
  • En nee, de opbrengst was niet heel hoog.
  • En tot slot ja, dat was dan dus wel een beetje mijn eigen schuld.

Om het wat beter uit te leggen moet ik eerst vertellen hoe onze tuin eruit ziet. En daarvoor gebruik ik dan even een foto van het vroege voorjaar van 2018:

 

Je kijkt op deze foto vanaf het terras en de kas naar de dijk. Aan die dijk staan behoorlijk hoge bomen (een meter of acht), op de foto nog kaal maar in de zomer, vol in het blad, houdt het in de ochtend achterin de tuin de zon weg. Schuin rechtsvoor komt in de loop van de ochtend de zon over de bomen. Midden op de dag staat die zon dus boven de tuin en uiteindelijk gaat ze (hier vandaan gezien) links achter onder. En juist achter de bonenstaken die je op de foto ziet groeien elk jaar onze pompoen- en courgetteplanten (op een hoop paardenmest).

Daar doen ze het altijd prima, pompoenen groeien graag in de zon maar doen het op dat plekje in de halfschaduw ook prima. Dus hadden we daar voor dit jaar ook het verticale pompoenbouwsel gepland. Handig, dacht ik, want er was genoeg plaats, ook als het scheef zou zakken of om zou vallen. Maar ik heb de groei en dan vooral de hoogte onderschat. Bij het dalen van de zon in de namiddag kreeg de voorkant van het pompoenbouwsel met planten genoeg zon. Maar de achterkant van de eerste rij, plus de 2e rij hebben nooit zon gezien; ’s ochtends hielden de bomen op de dijk de zon tegen en ’s middags hield de voorkant van het pompoenbouwsel de zon voor de achterste rijen tegen.

Oftewel, de voorste rij kreeg voldoende zon en deed het dan ook het best, de achterkant van die rij, plus de rij erachter kreeg nauwelijks zon, alleen één of twee uurtjes rond het middaguur.

Nog een nadeel: het was dit jaar wel erg droog. En we hebben heel veel water gegeven maar onze prioriteit lag daarbij vooral bij tomaten, bloemen, bonen, witlof, worteltjes, snijbiet, komkommers, etc.. Ook zonder water konden de pompoenen er nog lang goed uit blijven zien, omdat ze diep wortelen, omdat ze dus in de schaduw stonden en minder verdampten, en omdat ze in een hoop oude stalmest stonden, en dat houdt vocht vast. Maar ideaal was het niet.

De uiteindelijke opbrengst van de 4 (klim)courgetteplanten die op de hoeken stonden weet ik niet maar dat was ruim voldoende. Er stonden 22 stokken – 4 courgetteplanten = 18 pompoenplanten. De uiteindelijke opbrengst is 47 pompoenen, wat groter en kleiner, eet- en sierpompoenen. Dat is niet slecht, gezien de omstandigheden, maar het had natuurlijk veel beter gekund (als ik uitga van de vrij kleine pompoenen die toch minimaal 3 of 5 vruchten per planten kunnen geven).

Dit is het deel dat nu nog op de tuin ligt:

 

Ertussen liggen ook wat uit de kluiten gewassen en oneetbaar geworden vruchten van het ras Tromba d’Albenga. Ruud had ze in zijn opruimwoede al in de kruiwagen gegooid, ik kon ze op weg naar de composthoop nog net redden. Want ze zijn toch leuk om voor de sier neer te leggen (als ik er tijd voor heb en het droog is). Volgende week gaan deze laatste pompoenen nog mee naar huis, de eetbare pompoenen gaan naar zolder en de sierpompoenen blijven buiten tot het gaat vriezen.

Ik ga het telen van pompoenen in een verticaal bouwwerk zeker nogmaals proberen. Maar dan ga ik de rijen korter maken en niet in de breedte ( = ) maar in de lengte ( || ) zetten. Dan kunnen de planten meer zon vangen. En nu denk ik dat ik misschien niet meer 22 planten bij 22 stokken zou zetten maar zo af en toe een stok zou overslaan, zodat er net iets meer plaats is om te groeien. Ik zou ook kunnen overwegen om de stokken iets verder uit elkaar te zetten maar dat willen we niet, omdat dat ten koste gaat van de stevigheid van het bouwwerk.

Ik denk dus al voorzichtig al weer na over volgend jaar. En ik denk ook aan de herfst, want dit weekend ga ik de knofloken uitzoeken die we willen gaan poten en daar in de tuin een plaats voor zoeken en dat onkruidvrij maken. Ik ga ze nog niet poten, maar wel over een week of twee.

Tot slot: ik heb op de website van Pokon ook een blog geschreven, over Multiflora-tomaten (die zo enorm veel tomaatjes in hun trossen maken en waar ik er ondertussen al flink wat van teelde).

Nog één foto zonder pompoenen. In een spaarzaam herfstzonnetje maakte ik deze foto van Salvia microphylla, met op de achtergrond een Brugmansia. Op die momenten lijkt het in de tuin toch nog even zomer.