Pruim

 

Waar appels en peren tot het pitfruit worden gerekend (de zaden in de vruchten bevatten meerdere kleine zaden in een klokhuis), zo behoort de pruim tot een andere groep, die van het steenfruit (een pruim bevat 1 (groot) zaadje per vrucht. Ze behoort dus tot de fruitgroep waar ook kersen, abrikozen, perziken en nectarines behoren. Ze behoort trouwens dan weer wel tot de plantfamilie Rosaceae, de familie waar ook appels en peren toe behoren.

De Latijnse naam voor de pruim is Prunus domestica, en er zijn ook nog wel wat subspecies. Er zijn enorm veel rassen, waarvan een aantal tot zeer oude (letterlijk eeuwenoude) groepen behoren zoals kroosjes, mirabellen, kwetsen.

Een pruimenboom is prima winterhard, maar bloeit (afhankelijk van het ras) vroeg, als één van de eerste fruitbomen (maart). In die tijd is er nog veel kans op nachtvorst, en nachtvorst is niet erg voor de boom, maar wel voor de bloesem. Zie daarover ook hieronder bij het kopje “Bescherming”.

De oogst van rijpe pruimen vindt plaats tussen half juli en eind september (afhankelijk van het ras).

Pruimenboom met bloesem in knop

 

Dezelfde pruimenboom, een paar dagen later

 

PLANT

Een pruimenboom bloeit dus vroeg, met mooie en geurige witte bloemen aan de verder nog kale takken. Aan het einde van de bloeitijd begint de groei van het blad.

De bloemen zijn eenhuizig (elke bloem heeft zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen in zich) en worden bestoven door insecten. Een pruim heeft kruisbestuiving nodig, en dus is de kans op een goede oogst altijd groter als er ergens in de omgeving nog meer pruimenbomen staan. Er zijn ook wel zelfbestuivende pruimenrassen maar ook dan geldt dat meerdere bomen en dus kruisbestuiving een grotere opbrengst geeft met kwalitatief betere vruchten.

Bloesem van de pruim Reine Victoria

 

Hierbij kun je al concluderen dat inzicht en goed advies van een kweker belangrijk zijn, zeker omdat hij ook weet welke rassen graag door welke andere rassen bestoven worden (welke gelijktijdig bloeien, goed stuifmeel geven, etc.). En bedenk van tevoren wat je zoekt in een ras; er zijn grootvruchtige en kleinvruchtige rassen, vroeg of laat, sappig en droog, zoet en fris, geschikt om te eten en vooral geschikt voor inmaak of bakken. En er zijn natuurlijk kleine en grote bomen (afhankelijk van de gebruikte onderstam). Het is maar wat je wilt en zoekt, laat je vooral goed informeren voor je een pruimenboom koopt.

 

RASSEN

Zelf hebben we nog 2 pruimenbomen: een Reine Victoria en een Avalon. In het verleden hebben we ook nog een Rein Claude d’Oullins gehad maar die hebben we bij het verkleinen van de tuin achter moeten laten. De Reine Victoria is zeker niet de makkelijkste pruimenboom maar de smaak maakt dat voor ons nog steeds elk jaar meer dan goed.

Wat voorbeelden van rassen:

Vroege rassen:

Geven een vroege oogst in juli of begin augustus. Voorbeelden van rassen zijn: Czar, Early Laxton, Ontario, Opal, Early Prolific, etc.

Middelvroege rassen;

Deze rassen geven rijpe pruimen in augustus, Voorbeelden zijn: Avalon, Bleue de Belgique, Reine Victoria, Reine Claude d’Althan, Damson, etc.

Late rassen:

Deze rassen oogst je nog wat later, tussen eind augustus en eind september. Voorbeelden zijn Anna Spath, Jubileum, Prune de Prince, Sainte Catherine, Valor, etc.

Dit is maar een klein lijstje, er bestaan heel veel rassen, oud maar natuurlijk komen er elk jaar ook wel weer wat nieuwe rassen bij (en soms verdwijnt er misschien ook een ras bij een kweker, als er gebleken is dat een nieuw ras toch beter is ten aanzien van ziekteresistentie, beurtjaren, opbrengst, etc.).

Voor rassenlijsten bekijk je vooral de websites van gespecialiseerde kwekers, zo kun je ook al van te voren een lijstje maken met welke rassen je interessant vindt (qua smaak, gebruik, opbrengst, vruchtformaat, rijpingstijd, etc.).

 

STANDPLAATS

Een pruimenboom staat graag in de zon, al kunnen ze ook wel wat halfschaduw verdragen. Zoals alle fruitbomen houden ook pruimen van een humusrijke grond: goed gedraineerd, luchtig, voldoende vocht vasthoudend maar niet kletsnat. Op onze vette klei hebben we bij het planten dus eerst een flink plantgat gegraven. De buitenrand hebben we gevuld met een mengsel van potgrond en tuingrond; zodat de overgang voor de wortels van de boom niet zo groot is. En de boom zelf hebben we in potgrond geplant. De bovenlaag is dan weer een mengsel van potgrond en tuingrond.

Bemeste tuinaarde, mest en compost worden door kwekers bij het planten afgeraden omdat dat scherp kan zijn (afhankelijk van de samenstelling/rijpheid, etc.) is en de allerkleinste haarworteltjes kan beschadigen.

Een pruimenboom houdt qua zuurgraad van een neutrale tot licht-alkalische grond (met een pH van rond de 7.0 tot 7.5).

Zorg bij het planten van de pruimenboom dat je de wortels van de boom wat uitspreidt in het plantgat. Laat bij het dichten van het gat (en daar gebruik je ook weer aanplantgrond en/of potgrond, al dan niet gemengd met grond uit de tuin voor). De entplaats van de boom moet zo’n 15 centimeter boven de grond blijven.

Sla bij het planten gelijk een paal in de grond; die zet je op zo’n 20 cm afstand van de stam en je maakt de stam van de boom vast aan de boompaal met bijvoorbeeld een rubberband (zodanig dat er ruimte is om te groeien maar de boom wel stevigheid van de paal ondervindt. Gebruik in ieder geval geen materiaal dat kan insnoeren of snijden.

De beste tijd om een pruimenboom te planten is tussen november en eind februari (wanneer de boom in winterrust is). Bomen in pot kun je in principe het hele jaar door planten, bomen met een kale wortel (dus zo uit de volle grond) plant je het best in november-december. De grond is dan nog wat warm van de nazomer, en de bomen hebben de hele winter de tijd om zich in rust te herstellen van het planten, en te wennen aan de nieuwe omstandigheden. Plant uiteraard niet tijdens een vorst- of heel natte periode.

De plantafstand (als je meerder bomen wilt planten) heeft alles te maken met de maat van de pruimenboom:

  • voor een laagstam/struik is de plantafstand 4 meter
  • voor een halfstam is de plantafstand 5 tot 6 meter
  • voor een hoogstam is de plantafstand 8 tot 10 meter

In principe is een pruimenboom geënt op een onderstam. Je hoeft trouwens geen verstand te hebben van onderstammen, als de kweker er maar verstand van heeft, en jij de kweker duidelijk kunt maken wat je wilt (hoeveel bomen wil je, voor welk gebruik, hoe groot is je tuin, hoe hoog wil je dat de bomen uiteindelijk worden, etc.).

 

VOEDING

Een pruimenboom heeft natuurlijk voeding nodig, zonder voeding groeit en bloeit de boom niet goed en blijven pruimen klein. Maar pas op voor overbemesting; teveel stikstof zorgt bijvoorbeeld voor veel vegetatieve groei (blad en waterloten) en dat gaat altijd ten koste van de kwaliteit en opbrengst van de pruimen. Bomen die zijn overbemest zijn ook vatbaarder voor ziekten.

Hoeveel voeding je moet geven ligt aan een aantal factoren; onder andere aan de maat van de pruimenboom (grote -hoogstam- bomen hebben meer voeding nodig dan kleine -laagstam- bomen), aan de toestand van de grond (onze vette klei is van nature al rijk aan voedingsstoffen), de structuur, bodemleven, etc.. Je kunt tegenwoordig kant-en-klare voeding voor fruitbomen kopen, en anders is een ideale samenstelling in NPK ongeveer 5-5-10, dus 5% stikstof, 5% fosfor en 10% kalium. Niet teveel stikstof maar genoeg voor een goede groei, een gemiddelde hoeveelheid fosfor en dus wat extra kali. Kali zorgt bijvoorbeeld voor een goede vruchtzetting, en een goede smaak en bewaarbaarheid van de vruchten.

Zelf houden we de grond onder de boom kaal. We laten soms wel wat Oost-Indische kers onder de bomen groeien; eenjarig, eetbare bloemen, lange bloei, trekt veel bestuivers, houdt het onkruid tegen, en ligt lekker los op de grond onder de bomen zonder diep te wortelen of veel voeding van de bomen te stelen.

 

VORMEN

Een onderstam is een boom waarop het uiteindelijke pruimenras wordt geënt. Die onderstam is dus juist niet gekozen voor de vruchten, maar voor gezondheid, groeikracht, etc.. Een onderstam heeft ook nog invloed op de bloeitijd en oogsttijd.

Zoals ik al eerder schreef hoef je niets over onderstammen te kennen; als je de kweker duidelijk maakt wat je wilt kan hij je het juiste ras in de juiste vorm op de juiste onderstam adviseren. De onderstam bepaalt samen met de boomvorm de uiteindelijk vorm, grootte en dus ook hoogte, opbrengst, etc. Pruimenbomen groeien bijna altijd wat breeduit. Hieronder volgen de eigenschappen per boomvorm:

Struik = laagstam:

Stamhoogte 50-75 centimeter. Geschikt voor de kleine tot middelgrote tuin. Onze 2 pruimenbomen (en trouwens ook onze 3 appels en 2 peren) hebben deze vorm. Groot genoeg en met voldoende opbrengst voor ons als hobbyisten. Bovendien wil ik graag pruimen kunnen oogsten zonder op een ladder te hoeven staan, en deze bomen zijn, als ze volwassen zijn, niet veel hoger dan zo’n 2 tot 2,5 meter.

Halfstam:

Stamhoogte 1,20 tot 1,30 meter. Dit worden bomen die wel een  meter of 4 tot 5 hoog kunnen worden. De plantafstand is 5 tot 6 meter. Het duurt ook wel een paar jaar langer voor deze bomen vruchten geven maar de opbrengst is dan wel hoger. Halfstambomen zijn duidelijk groeikrachtiger dan struikvormen.

Hoogstam:

Stamhoogte 1,80 tot 2,10 centimeter en dit worden echt grote bomen, hoog en met een grote open kroon. De oogst is zeer groot maar het duurt wel enige jaren voor de eerste volle oogst geplukt kan worden. Nadeel is dan ook dat je met een ladder moet plukken want de bomen worden gemakkelijk 8 meter hoog. De plantafstand is 7-9 meter.

En naast deze 3 vormen bestaan er nog leivormen, als je daar in geïnteresseerd bent, vraag dan vooral aan een kweker informatie over de mogelijkheden en prijzen.

 

BESCHERMING

Zoals eerder gezegd kan de bloesem van een pruimenboom te lijden hebben van nachtvorst. Omdat een pruim als één van de eerste fruitbomen, bloeit, vaak wanneer het pas net maart is, is de kans op nachtvorst niet gering. Hou vooral de weersverwachting in de gaten en neem eventueel maatregelen:

Bedenk dat lage bomen in een zonnige en beschutte tuin veel minder last hebben dan hoge bomen in een open ruimte. Zorg dus voor zon, beschutting tegen wind, etc.. En mochten er toch meerdere nachten met flinke nachtvorst komen, dan kun je overwegen om bijvoorbeeld vliesdoek over de kroon te draperen. In de professionele teelt zie je oplossingen als het besproeien met water waardoor de bloesem wordt beschermd door een dun laagje ijs, of het plaatsen van vuurpotten in de nacht waardoor de temperatuur iets stijgt.

Bescherming tegen dieren:

Ik heb niet genoeg over dit onderwerp om daar heel veel over te schrijven. Maar 1 belangrijk plaagdier wil ik hier wel graag noemen; de pruimenmot. Dat is een nachtvlinder die eitjes legt op de pruimen. De larven boren gaatjes in de pruim en eten het jonge rijpe vruchtvlees, en dat resulteert dan in een pruim die er van buiten eigenlijk prima uitziet maar doorgesneden vieze bruine plekken heeft. Soms zie je nog wat kruipen en soms zie je ook wat zwarte spikkeltjes, en dat moet dan vast pruimenmottenlarvenpoep zijn (denk ik). Hoe dan ook; wij eten nooit een pruim van eigen boom zonder die eerst even door te snijden en te checken 🙂 . Vaak herkennen we zo’n pruim al aan een klein druppeltje doorzichtige harsachtige substantie op de schil. De rupsen overwinteren vaak onder de grond nabij de pruimenboom en er zijn 2 generaties pruimenmotten per jaar. iemand die daar veel meer verstand van heeft is Guy de Kinder, kijk even op deze pagina: De Houtwal, ook voor eventuele oplossingen (zoals feromonen, lijmbanden, etc.).

Een overdadig bloeiende Reine Victoria

 

SNOEIEN

Snoeien blijft een lastig hoofdstuk. Ik ben er ook niet zo heel goed in, moet het van mijn gezonde verstand hebben want mijn boom lijkt nou nooit eens op een boom in zo’n boek met plaatjes “hoe te snoeien”. Ik heb altijd takken waar ze niet horen, of juist geen takken waar takken horen te zitten. Mocht je gelukkiger zijn dan ik, hou dan vooral de snoeiregels volgens de afbeeldingen aan zoals ze in boeken staan!

Maar er zijn wel een aantal regels die iedereen wel kan begrijpen en leren en logischerwijs min of meer kan volgen. Ik hoop die dan ook hieronder een beetje logisch te kunnen indelen en beschrijven. Voor alle duidelijkheid: ik heb het hieronder over een pruimenboom (voor het snoeien van andersoortige fruitbomen kan een andere manier van snoeien nodig zijn);

Allereerst: snoei direct na de oogst, in augustus of september. Waar je appels en peren vaak in de wintermaanden snoeit is dat voor een pruimenboom geen optie (in verband met het gevaar voor loodglans). Kom je er in januari achter dat je in september bent vergeten om je pruimenboom te snoeien, dan zou ik zelf dan een jaar snoei overslaan en niet de gok nemen om alsnog in de winter te snoeien.

Kleine takken kun je gewoon met een snoeischaar wegknippen. Grotere takken hebben soms een klein snoeizaagje nodig.

Wonden die overblijven na het snoeien kun je dicht smeren met een wondafdekmiddel (in elk goed tuincentrum te koop). Aansmeren met een wondafdekmiddel werkt zo’n beetje hetzelfde als “mensenwondmiddeltjes”; het voorkomt infecties en ziekten die in zo’n wond binnen kunnen dringen, en zorgt voor een snellere en betere genezing van de wond. Hoe groter de wond, des te handiger is het om de wond af te dekken.

Pruimen bloeien op ouder hout, je snoeit dus zo min mogelijk. En een pruimenboom is een ‘ouderwetse’ boom, met een mooie ruime en open kroon. Als je dat niet wilt kun je wellicht beter met een goede kweker overleggen en bijvoorbeeld een mooie leivorm kopen.

Snoei altijd op naar buiten gerichte knoppen. Voor alle duidelijkheid: dat zijn de verdikkingen op een tak van waaruit een nieuwe tak gaat groeien. Als je snoeit op naar binnen gerichte takken zorg je er dus voor dat de sterkste takken naar binnen groeien en dat levert nooit een mooie open kroon op. Net boven een verdikking die naar buiten (van de boom af) wijst snoeien zorgt ervoor dat die sterkste tak naar buiten groeit met als gevolg een mooie open groeiwijze en dat is uiteraard altijd beter voor evenwicht, bevruchting, etc.. Deze regel geldt trouwens voor bijna alles wat gesnoeid wordt (van appelbomen tot aalbessen en van rozen tot sierheesters).

Als je een boom koopt snoei je die in de eerste nazomer na het planten. Over het planten (in goede grond, met boompaal, etc. heb je hierboven al kunnen lezen). Vergeet niet zo gunstig mogelijk te planten (kijk naar de stand van takken en zorg voor de beste stand ten opzichte van de zon, en dat takken niet in de weg kunnen groeien van bijvoorbeeld een looppad.

Uiteindelijk wil je later 3 tot 4 gesteltakken hebben (waar de kroon van de boom op gebouwd wordt (dus moeten er minimaal 3 maar liever nog iets meer knoppen op de stam die je snoeit blijven zitten. Snoei dus de takken die je niet wilt gebruiken voor de kroon weg, en bewaar 3 of 4 sterke en gezond takken die goed verspreid zitten en niet te laag groeien. De 3 of 4 gesteltakken snoei je tot ongeveer de helft terug (uiteraard op een naar buiten gerichte knop).

Het jaar erop zijn er op meerdere takken weer nieuwe takken gevormd. Blijf de 3 of 4 gesteltakken goed zichtbaar houden: op elke gesteltak kies je nu nog een tak. Die takken zijn gezond, groeikrachtig, naar buiten gericht en bij voorkeur horizontaal (niet te veel verticaal groeiend), bij voorkeur halverwege de gesteltakken groeiend (daar waar je vorig jaar de gesteltakken hebt gesnoeid). Snoei deze takken tot op de helft terug (ook weer alleen in de nazomer).

En dan is de basis klaar. Verder snoei je nu alleen nog takken die elkaar kruisen, zwakke en zieke takken, takken die laag geplaatst zijn, etc.. Bedenk: snoeien doet groeien. En dat is fijn in de eerste 2 of 3 jaar omdat je dan nog een boom aan het ‘opbouwen’ bent, maar daarna wil je de boom vooral zoveel mogelijk met rust laten en laten doen waar ze goed in is, en dat is vruchten produceren. En dus snoei je alleen nog maar waterloten (dunne, jonge twijgen die recht omhoog groeien) en dat was ziek of ongewenst is.

En dan begint dus na een jaar of 2 tot 3 (afhankelijk van de leeftijd van de boom die je kocht) de oogst.

Jonge pruimpjes

 

OVERIGE TEELTTIPS

Naast wieden (voorzichtig want je wilt geen wortels beschadigen) kun je denken aan water geven bij bomen die dat jaar zijn geplant. Volwassen bomen kunnen in principe ook in droge perioden nog goed voor zichzelf zorgen, maar bij echt langdurige droogte geef je in principe de hele tuin water, en vergeet dan ook de fruitbomen en -struiken niet.

Vruchtdunnen:

Dat is nog wel een ‘dingetje’. Sommige rassen zijn er gevoeliger voor dan andere rassen. Maar over het algemeen wordt gezegd dat elke pruim ongeveer 15 tot 20 centimeter ruimte nodig heeft in de boom. Ze mogen dan ook best wat dichter bij elkaar hangen hoor, maar hou wel dit gemiddelde aan.

Onze Reine Victoria staat erom bekend: een oud ras dat heel veel pruimen maakt, maar dan ook echt enorm veel. Maar zonder ‘vruchtdunnen’ blijven die grote hoeveelheid vruchten klein en hard en ze hebben weinig smaak. Bij het in een vroeg stadium verwijderen van vruchten zorg je er voor dat ze voldoende ruimte en energie krijgen om veel groter, zachter, sappige en ook veel lekkerder te worden.

Beurtjaren:

Er zijn rassen die gevoelig voor beurtjaren zijn. Ook hier is dat zo; als een fruitboom vorig jaar een heel grote oogst heeft gedragen kan het zijn dat ze het jaar erop de bloei eens overslaat, simpelweg om te herstellen van de ‘dracht’, want daar kun je het een beetje mee vergelijken. Het jaar daarop zal ze dan juist weer een zeer goede oogst geven (uitgerust 🙂 . Dat geldt voor appels en peren en ook wel een beetje voor pruimen. Vrucht dunnen zorgt ervoor dat een pruimenboom niet volledig uitgeput raakt. Maar sommige rassen zijn er nu eenmaal ook wat gevoeliger voor dan andere. Alleen daarom is het al leuk en handig om 2 pruimenbomen te planten, voor het geval de ene boom een beurtjaar heeft en je dan wel lekker nog van de andere boom kunt oogsten.

Een mooi moment om te dunnen; de pruimen die niet vanzelf zijn gevallen zijn al wat gegroeid en hieruit kun je nu de sterkste en grootste exemplaren kiezen en rest wegknippen

 

OOGST / BEWAREN

Gelukkig is het rijpe stadium van pruimen makkelijk te herkennen (makkelijker dan bij appels en peren); want de kleur verandert vaak, en de vruchten lijken wat op te zwellen. En als dat gebeurt ga je elke week een paar keer voelen wel pruimen al iets zacht worden en geoogst kunnen worden. En welke kleur dan goed is, of hoe zacht ze moet zijn is lastig uit te leggen, want het hangt af van het ras (er zijn zachte sappige pruimen en stevige pruimen, er zijn groene, gele, roze, paarse pruimen, etc.. Maar het is heel simpel; als je denkt dat een pruim rijp zou kunnen zijn pluk je er gewoon één; voel, bekijk, snijd open en proef. En als de pit los laat is ze in ieder geval goed rijp. En zo kun je bedenken wanneer je de rest van de pruimen kunt gaan oogsten (en de oogst valt nooit op één dag, het is altijd een periode van 1 tot 3 weken waarin je vaak 1 of 2 keer per week weer nieuwe rijpe pruimen kunt oogsten).

Pruimen kun je niet heel lang bewaren, eet ze vooral dezelfde dag of bewaar ze maximaal een dag of 3 (en dat is ook mede afhankelijk van het ras).

Wat te doen met al die pruimen die je niet op kunt eten? Denk aan inmaken, van pruimenmoes en pruimenjam tot pruimenlikeur en pruimenchuctney; er zijn heel veel leuke inmaakrecepten met pruimen.

Pruimenlikeur in wording

 

Ik vries pruimen ook nog wel eens in; kant en klaar; ontveld, pit eruit, naast elkaar in een bakje. Ze zijn na het ontdooien eigenlijk nog  verrassend stevig, niet goed genoeg meer om zo te eten maar prima om nog een taart van te bakken, of voor in de yoghurt.

 


Pruimentaart