Groenbemesting

Op de pagina Bemesting heb ik al uitgelegd welke voedingsstoffen planten nodig hebben om te kunnen groeien, bloeien, vrucht te zetten, knollen of bollen te vormen, etc., en welke meststof wat doet (denk aan bloedmeel, beendermeel, patenkali, wat betekent NPK, etc.).

Daarnaast wordt er ook wel eens gesproken over ‘groenbemesting’. Groenbemesters zijn gewassen die we niet voor consumptie telen maar voor eigenschappen als de structuur van de bodem verbeteren, voedingsstoffen toevoegen, bodemleven stimuleren, etc. Het zijn gewassen die we in het najaar of de winter onder kunnen spitten, of die we in het najaar of de winter uit de grond halen en op de composthoop kunnen gooien om daar te composteren. Het eerste is trouwens het meest gebruikelijk. Maar omdat wij niet meer spitten (en ondertussen zijn er veel meer mensen die dat niet meer doen) zullen de groenbemesters grotendeels in de tuin moeten vergaan en/of op de composthoop moeten verteren.

De voordelen van groenbemesters

Door het telen/onderwerken/toevoegen van groenbemesters voeg je organisch materiaal toe aan de bodem. En dat zorgt voor een betere structuur, luchtiger, gezond, vol nuttige organismen. En vervolgens houdt zo’n humusrijke grond voedingsstoffen vast: de soorten die je in de nazomer zaait nemen in de winter de voedingsstoffen op die anders vaak door regen uit de bodem worden uitgespoeld. Bij het onderwerken in het vroege voorjaar komen die voedingsstoffen weer vrij in de bodem. Sterker nog; sommige soorten groenbemesters wortelen zeer diep en kunnen zo uit de onderlaag van de grond voedingsstoffen opnemen die dan vervolgens bij het onderwerken in de bovenlaag weer vrijkomen (of uiteindelijk op de composthoop terechtkomen).

Nog een pluspunt: door de bedekking in de soms regenachtige nazomer en herfst groeit er minder onkruid. En op onze vette kleigrond zorgt het dat de grond niet dicht kan slaan (in een natte herfst kunnen opgeruimd vakken hier soms zo vast worden dat je letterlijk met de grond kunt kleien en er heel vaak water op de grond blijft staan). Het voorkomt dus ook het uitspoelen van voedingsstoffen door regen. En tot slot verbeteren vooral de diep wortelende groenbemesters de afwatering. Waar in onze vette klei planten groeien is het altijd minder nat.

Daarnaast kunnen sommige groenbemesters (uit de vlinderbloemenfamilie = peulvruchtenfamilie, net als bijvoorbeeld bonen en erwten) stikstof uit de lucht in de grond vastleggen. En tot slot hebben sommige groenbemesters een ontsmettende werking op de bodem (denk aan Tagetes, Tropaeolum en Calendula).

Dat klinkt allemaal heel fijn. Maar er kleven ook wel wat nadelen aan groenbemesters.

De nadelen van groenbemesters

Naast de aanschaf van zaden zul je er bijvoorbeeld plaats voor moeten reserveren (als hoofdteelt of nateelt). Om die reden zaaien wij zeker niet elk jaar groenbemesters; omdat ik soms ‘zonde van de plaats’ vinden. Of misschien beter gezegd: ik heb er vaak geen plaats voor omdat in de nazomer onze tuin vaak nog volledig gevuld staat met allerlei soorten groenten, kruiden, fruit en bloemen. Maar mocht je een tuin hebben die groot genoeg is om wat vakken te reserveren, of heb je een (stuk) tuin waar niets groeit en die je qua bodem en bemesting eerst eens goed aan moet pakken, dan is de teelt van groenbemesters ideaal.

Als je tuiniert volgens een vruchtwisselingsschema zullen groenbemesters daarin wel ook gewoon mee moeten draaien (zie Vruchtwisseling). Persoonlijk vind ik de vruchtwisseling al moeilijk genoeg om ook nog rekening te moeten houden met die groenbemesters die tot bijvoorbeeld de kruisbloemenfamilie of peulvruchtenfamilie bestaat. Gelukkig zijn er ook groenbemesters waarbij je geen rekening met de vruchtwisseling hoeft te houden (simpelweg omdat het soorten zijn die geen familie zijn van de eetbare soorten in de moestuin).

Sommige groenbemesters kunnen zich trouwens ook nog wel min of meer hinderlijk uitzaaien. Het is makkelijk te voorkomen als je de bloemen wegknipt voor ze helemaal uitgebloeid zijn en zaden vormen.

En er is nog wel iets belangrijks: voor al die nuttige eigenschappen moeten groenbemesters eerst wel kunnen groeien, en dus hebben ook groenbemesters zelf eerst voeding nodig. Ze gebruiken meestal de voeding die al in de grond aanwezig is maar op heel arme en zanderige grond kan het nodig zijn om voor het zaaien de grond ietwat te bemesten (bijvoorbeeld met wat koemestkorrels). En uiteindelijk geeft ze later organisch materiaal inclusief voedingsstoffen terug en spaart ze normaal gesproken meer dan ze gebruikt.

Het is belangrijk om, als je een groenbemester overweegt, te bedenken welke soort groenbemester je wilt gebruiken, want er zijn dus soorten die je al in de vroege zomer moet zaaien maar ook late groenbemesters, soorten waarmee je rekening moet houden in de vruchtbemesting, soorten die onkruid wel of niet goed onderdrukken, soorten die wel of niet winterhard zijn, etc. Hieronder vind je een opsomming van de meest bekende groenbemesters plus hun eigenschappen. Aan de hand daarvan kun je zelf bepalen of ze geschikt zijn voor je eigen tuin. En lees vooral ook nog even de overwegingen die ik daaronder noem.

Tagetes minuta is een ruim 2 meter hoge plant die veel organische stof levert en zowel tijdens de groei als bij het onderspitten aaltjes doodt en een schonende werking op de grond heeft. Moet wel al in het voorjaar worden gezaaid/geplant. Bloeit in de herfst ook nog eens met kleine gele bloempjes en het blad geurt heel sterk naar citrus.

Groenbemesters uit de kruisbloemenfamilie

Dit vind ik zelf de minst populaire groep. Deze groenbemesters hebben vaak de eigenschap dat ze veel blad en stelen maken (en onkruid dus goed onderdrukken), en het zijn enorm goede bijenplanten (denk aan bloeiende rucola en doorgeschoten rucola, ook daar komen heel veel bijen en hommels op af). Maar het nadeel is dat ze in mindere of meerdere mate waardplanten zijn voor knolvoet. En omdat ze familie van de koolgewassen zijn zullen ze dus ook in die vruchtwisseling mee moeten draaien. Ze mogen daarom minimaal 4 jaar lang niet in het vak van de koolgewassen gezaaid worden (en andersom). Om die reden kies ik zelf niet snel voor soorten uit deze groep want het maakt de vruchtwisseling behoorlijk ingewikkeld. Maar ze is natuurlijk wel interessant voor mensen die niet van kool houden en/of ze niet telen. Maar ook handig voor een nieuw stuk grond.

Doorgeschoten en daardoor bloeiende sprouting broccoli lokt veel hommels en andere bestuivers

Bekende soorten groenbemester in deze groep zijn:

  • Bladkool (Brassica napus napus). Maakt veel bladmassa maar gebruikt zelf ook relatief veel voedingsstoffen uit de grond. Zeer gevoelig voor knolvoet.
  • Gele Mosterd (Sinapis alba). Snelgroeiend en kan daardoor zowel als hoofdteelt als nateelt worden gezaaid. Ze bevriest in de winter en laat dan een mooie losse grond achter. Gevoelig voor knolvoet.
  • Raap (Brassica rapa). Ook deze gebruikt zelf relatief veel voedingsstoffen uit de grond. Middelmatig gevoelig voor knolvoet.
  • Bladrammenas (Raphanus sativus oleiferus). Deze Rammenas maakt nauwelijks een knol en vooral veel blad. Ze bevriest snel en kan dan gemakkelijk ondergewerkt worden. Ze is slechts weinig bevattelijk voor knolvoet maar wel een waardplant voor het bieten-cystenaaltje.
  • Winterkoolzaad (Brassica napus). Geschikt als nateelt, zaaien in augustus/september. Bedekt de grond redelijk goed en is weinig vorstgevoelig.

Groenbemesters uit de vlinderbloemenfamilie = Peulvruchtenfamilie

Deze familie wordt tegenwoordig steeds vaker peulvruchtenfamilie genoemd, vandaar de dubbele naam (voor alle duidelijkheid). De soorten in deze familie staan bekend om het feit dat ze stikstof uit de lucht kunnen ‘vangen’ en vastleggen in de bodem (vaak in knobbeltjes aan de wortels, zie foto). Ze bedekken de grond redelijk goed en wortelen redelijk diep, maar leveren relatief weinig organisch materiaal. Ze kunnen wel uit diepere lagen van de bodem voedingsstoffen opnemen en die later aan de bodem afgeven. Deze groenbemesters zijn familie van groenten als erwten, peultjes, bonen, tuinbonen, kapucijners en moeten dus wel meedraaien in de vruchtwisseling. Niet zo streng als bij de kruisbloemenfamilie maar houd een vruchtwisseling van minimaal 1 jaar aan tussen een peulvruchten-groenbemester en het telen van peulvruchten.

Bij deze gerooide tuinboonplant kun je goed de knobbeltjes aan de wortels zien waarin stikstof is vastgelegd

Bekende soorten groenbemester in deze groep zijn:

  • Gele Lupine (Lupinus luteus). Eenjarig, legt goed stikstof vast, groeit in het begin traag maar later levert ze voldoende organische stof. Worst rond de maand mei gezaaid.
  • Bittere Lupine (Lupinus angustifolius). Idem als gele Lupine maar kan later gezaaid worden, rond juli/augustus.
  • Alexandrijnse Klaver (Trifolium alexandrinum). Bevriest in de winter, wortelt niet zo diep maar levert goed stikstof uit de wortels.
  • Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum). Wortelt ondiep en legt minder stikstof vast dan de andere klavers, maar groeit snel en levert een gemiddelde hoeveelheid organische stof.
  • Rode Klaver (Trifolium pratense). Vaste plant en door de langzame groei alleen geschikt als hoofdteelt. Ze legt voldoende stikstof vast en levert meer organische stof, omdat ze een grotere plant is.
  • Witte Klaver (Trifolium repens). Idem als de rode klaver. Ze bevriest niet en kan na de winter mogelijk weer terugkomen. Levert wel relatief veel stikstof.
  • Serradella (Ornothopus sativus). Levert een gemiddelde hoeveelheid stikstof. Ze bedekt de grond niet volledig (waardoor wieden nodig blijft). Maakt zeer lange penwortels die goed zijn voor de drainage van de grond.
  • Veldboon (Vicia faba). Directe familie van de tuinboon. Legt relatief veel stikstof vast maar bedekt de grond niet volledig (wieden).
  • Wikke (Vicia sativa). Bedekt de grond niet helemaal goed (wieden), bevriest gemakkelijk en levert een goede hoeveelheid stikstof. Ze kan tot eind augustus worden gezaaid en is dus wel heel interessant na de oogst van bijvoorbeeld aardappelen, uien, etc.

Groenbemesters uit de grassenfamilie

Het grote voordeel van de groenbemesters in deze groep is dat ze niet in de vruchtwisseling mee hoeven te draaien, simpelweg omdat ze geen naaste familie in de groentewereld hebben. Verder bedekken ze de bodem meestal heel goed. Ze leveren weinig stikstof maar wel veel organisch materiaal (en elke grondverbeteraar is van harte welkom op onze vette klei). Ze gebruiken relatief veel voedingsstoffen maar houden die dan ook weer vast, samen met een teveel aan vocht in de winter. Deze groenbemesters moeten ondergespit worden en daarom hebben we ze al lang niet meer gebruikt.

Bekende soorten groenbemester in deze groep zijn:

  • Engels Raaigras (Lolium perenne). Sterk en snelgroeiend. Levert niet zo veel stikstof, heeft zelf voedingsstoffen nodig om te groeien maar levert veel organisch materiaal. Bevriest niet snel.
  • Winterrogge (Secale cereale). Kan zelfs tot half oktober nog gezaaid worden en daardoor zeer geschikt als late nateelt. Ze wordt dan pas in het voorjaar ondergespit. Levert relatief weinig stikstof, wel veel organisch materiaal en bedekt de grond goed.
  • Japanse Haver (Avena strigosa). Vooral geschikt voor zandgrond. Kan over een lange periode gezaaid worden (van april tot september). Bedekt de grond goed, is weinig vorstgevoelig.
  • Westerwolds raaigras (Lolium multiflorum westerwoldicum). Dit was, in de jaren dat we nog spitten, mijn favoriet. Zze Bedekt de grond heel goed met frisgroen blad. Was wel wat lastig onder te spitten in de winter omdat ze relatief dikke vaste wortels maakt. Wellicht beter wachten tot in het vroege voorjaar, wanneer ze afsterft. Levert veel organische materiaal en kan tot half september gezaaid worden. Levert niet zo veel stikstof.

Overige groenbemesters

Ook deze groenbemesters gebruikte ik graag (en soms nog). Deze soorten zijn geen naaste familie van de groenten in de moestuin, en hoeven dus ook niet in een vruchtwisseling te worden ingepast. En het leuke van deze soorten is dat ze niet alleen nuttig zijn maar vaak ook nog een aantal andere leuke eigenschappen hebben.

  • Bernagie (Borago officinalis – komkommerkruid). Kan tot eind augustus nog gezaaid worden. Groeit snel maar bedekt de grond niet volledig. Bevriest snel. En ook leuk: bloem en blad zijn eetbaar (smaakt naar komkommer), en de bloemen lokken ook nog eens heel veel hommels en andere bestuivers). Heeft de neiging om zich wel behoorlijk uit te zaaien.
  • Boekweit (Fagopyrum esculentum). Heeft amper voedingsstoffen nodig om te groeien en doet het daarom ook zeer goed op arme zandgronden. Ook dit is een plant die veel bestuivers lokt, zeer gevoelig voor vorst.
  • Phacelia (Phacelia tanacetifolia). Groeit snel en bedekt de grond goed, daardoor houdt ze onkruid goed tegen. Moet wel op tijd worden gezaaid want kan slecht tegen lage temperaturen. 60 dagen na het zaaien zijn de planten al zo sterk ontwikkeld dat de wortels al gaan afsterven en de bodem dus profijt krijgt van de planten. De wortels schijnen ook de ontwikkeling van aaltjes te remmen. En bloeit ook nog eens met mooie lilablauwe bloempjes waar veel hommels en bijen op af komen.
  • Spurrie (Spergula sativa). Snelgroeiend, goed bestand tegen droogte, bedekt de grond redelijk. Zaaien tot half augustus, sterk vorstgevoelig.
  • Afrikaantje (Tagetes). Zaaien in april/mei, Bedekt de grond goed en is zeer gevoelig voor vorst. Kan in de winter onder worden gespit maar mag ook op de composthoop. Sommige soorten hebben een ontsmettende werking op de grond en bestrijden aaltjes (minuta en patula). En natuurlijk heeft ze als voordeel dat ze de hele zomer bloeit en daarbij ook nog flink wat bestuivers lokt.
Phacelia met één van de vele hommels

Algemene tips met betrekking tot groenbemesters:

Om te kunnen groeien is voeding nodig, bij de ene groenbemester is dat meer dan bij de andere, lees vooral de achterkant van het zakje zaden. Bij soorten die wat meer voedingsstoffen nodig hebben om te kunnen groeien kun je bijvoorbeeld een week of 2 tot 3 voor het zaaien een paar handjes koemestkorrels in de grond harken.

Op de achterkant van het zakje zaden vind je ook hoeveel zaden je per vierkante meter moet zaaien want dat kan behoorlijk verschillen (en is uiteraard ook afhankelijk van het gewicht van de zaden). Bijvoorbeeld: van Tagetes (heel dunne en lichte zaden) zaai je slechts 5 gram per 10 vierkante meter, van winterrogge (zware korrels) zaai je wel 25 gram per 10 vierkante meter.

Maak de grond voor het zaaien los, en uiteraard ook onkruidvrij. De meeste groenbemesters zaai je breedwerpig (je strooit de zaden gelijkmatige over het hele oppervlak). Bij de soorten die de grond minder goed bedekken of langzaam groeien kan het handig zijn om in rijen te zaaien zodat je de eerste tijd wat makkelijker tussen de rijtjes in kunt wieden.

Zaai geen groenbemester die veel stikstof levert op een stuk waar in de zomer erop peulgewassen (houden niet van stikstof) of wortelgewassen komen want dat kan zorgen voor veel blad maar weinig knol. Aardappelen houden van de losse grond (en ook wat extra stikstof) die de meeste groenbemesters achterlaten.

Bedenk dat je niet aan 1 groenbemester vast zit. Je kunt bijvoorbeeld ook in verschillende vakken verschillende groenbemesters zaaien. Je hoeft ook niet op elk stuk een groenbemester te zaaien, zaai het vooral waar je het nodig hebt en waar je de gelegenheid krijgt (doordat een bepaalde groente al vroeg geoogst kan worden). En het is misschien ook leuk om eens 2 of 3 verschillende soorten groenbemester te mengen (kies dan wel soorten die in dezelfde periode gezaaid kunnen worden). Bijvoorbeeld wikke (voor stikstof maar niet goed de grond bedekkend) mengen met rogge (voor de organische stof en de grondbedekking). Blijf uiteraard wel goed letten op de eventuele vruchtwisseling.

Tot slot nog wat persoonlijke overwegingen en ervaringen:

Groenbemester is zeker geen ‘must’, wij hebben soms wel 3 of 4 jaar helemaal geen groenbemester gebruikt, en dan soms 2 jaar achter elkaar weer wel. Ik zie zelf groenbemesters als een waardevolle aanvulling op anders meststoffen, niet noodzakelijk maar wel heel prettig, mits je er de ruimte voor hebt in een bepaalde periode.

En wat is eigenlijk een groenbemester? Het zijn planten die relatief snel groeien, veel blad maken en bij het onderspitten makkelijk verteren en humus oplevert. We hebben wel eens veel teveel winterandijvie gezaaid. Maar die allemaal uitgeplant en wat in de late herfst niet was geoogst werd ook gewoon ondergespit. Hetzelfde geldt voor sla. En de rijtjes met goudsbloemen (Calendula) werden hier ook ondergespit (hebben ook nog eens een schonende werking op de grond). Wel belangrijk om bij goudsbloemen de uitgebloeide bloemen/zaden te verwijderen voor je ze onderspit, want anders vind je het volgende voorjaar wel erg veel zaailingen (ook niet erg, lijkt me, makkelijk te verplanten en desnoods te wieden).

De laatste jaren moestuinieren we in verhoogde bakken en spitten we niet meer maar bedekken we de grond (bijvoorbeeld met mest, stro, etc.). Sindsdien is het zaaien van groenbemesters een klein beetje op de achtergrond geraakt maar tegelijkertijd toch ook niet helemaal. Want we bedekken de grond ook met plantenresten (bijvoorbeeld loof van bieten, bonen, kool, eenjarige bloemen, etc.). Van sommige soorten vinden we vrijwel niets meer terug in het voorjaar omdat het bijna volledig verteerd/gecomposteerd is (en dan levert het dus ook organische stof, humus en wat voeding). En van de soorten die niet helemaal verteren gooien we de resten in het voorjaar alsnog op de composthoop.

Borago – komkommerkruid

1 reacties op Groenbemesting

wietske 30 juli 2021 om 17:50

een aantal zaden van JOOP tuin zijn bij mij niet opgekomen bv kervel cactus komkommer de knolselderij, venkel .
dit komt natuurlijk niet omdat de zaden niet goed waren ws zit ik er met iets anders naast . ik heb stalmest gebruikt in mijn tuin voor bemesten en zaaigoed om te zaaien alles in de kas voorgezaaid.


Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Of abonneer jezelf op deze discussie zonder te reageren.

Meld je aan voor de nieuwsbrief