Tuinboon

Tuinbonen in de dop 1

De tuinboon wordt ook wel veldboon, labboon of Roomse boon genoemd.
Ze is een vroege, iets bittere groente, de oorzaak daarvan is het looizuur in de boon (bij jonge tuinboontjes is daar minder van te merken – hoe ouder en groter de boon wordt, des te meer bitter maar ook weeïg en melig zal ze worden).

Sommige mensen vinden tuinbonen heerlijk, anderen vinden haar juist heel vies. Ik kan er niks aan doen, ik vind haar niet lekker (mijn man juist wel….. dilemma dus). Je kunt ze wel in de betere groentezaak kopen en zijn dan best prijzig, omdat ze relatief weinig geteeld wordt. Een delicatesse is de “dubbelgedopte tuinboon”; je haalt eerst de tuinbonen uit hun peul en vervolgens maak je het tuinboontje open met een mesje; in de tuinboon zie je dan 2 balletjes. Die kun je dan eten en de rest weggooien, volgens kenners ontzettend lekker maar je houd dan natuurlijk maar een heel kleine opbrengst over.

Als je nou wel van jonge tuinboontjes houdt maar ze eigenlijk toch ook te bitter en te weeeïg vindt, probeer dan vooral de kapucijner eens (die de meeste mensen alleen in gedroogde donkerbruine vorm kennen maar vers lijken ze wel een soort erg smakelijke kruising tussen doperwt en tuinboon maar dan minder zoet dan de doperwt en minder bitter/weeïg dan de tuinboon: Kapucijner).

Tuinbonen en Capucijners zijn ook geschikt voor zo ongeveer dezelfde bereidingen (zoals koken en dan mengen met uitgebakken spekjes of ham, en gebakken uien en/of champignons). In ons dilemma heb ik de oplossing gevonden; ik kook voor mezelf Kapucijners en voor Ruud Tuinboontjes. En ik bak spekjes met wat uien en champignons. De helft meng ik met de Tuinboontjes voor mijn man, de andere helft gaat door de Kapucijners en die zijn dan voor mij. Opgelost 🙂

Tuinboontjes eet je dus hoe dan ook bij voorkeur jong!

Plant

Tuinboon in bloei 1

De tuinboon maakt een rechtopgaande plant met 1 onvertakte steel van 80 tot 125 centimeter hoogte (afhankelijk van het ras en de omstandigheden). In de bladoksels vind je de bloemen in trosjes, deze lipbloemen vormen later de lange grote peulen (10 tot wel 20 centimeter lang). Die peulen zijn dik en van binnen sponzig. De bonen die je daarin vindt zijn 1 tot 3 centimeter groot, plat en heel lichtgroen van kleur.

Teeltwijzen

Net als erwten, peulen en kapucijners willen tuinbonen een koude vroege lente; zo vroeg mogelijk zaaien dus (ook om dan vroeg genoeg te oogsten, voor de tijd van de zwarte bonenluis begint – haar grootste belager). De 3 manieren om tuinbonen te telen:

  • vanaf half januari voorzaaien onder glas en dan in februari-maart buiten uitplanten
  • eind februari buiten ter plaatse zaaien
  • een derde minder bekende mogelijkheid (ooit gezien in het programma Gardener’s World en zelf 1 keer geprobeerd met prima resultaat): zaaien in oktober. De jonge kiemplantjes kunnen aardig wat vorst verdragen en zullen, als het in februari iets warmer wordt, snel verder groeien en een extra vroege oogst geven. Er blijft natuurlijk wel altijd een risico bij strenge vorst, dek dan de plantjes af met bijvoorbeeld vliesdoek. Kies uiteraard een zonnige standplaats en een goed winterhard ras.

Onze overbuurman zaait ze trouwens ook in oktober al maar plant de zaailingen in de kas. Hij kan dan tuinbonen oogsten op het moment dat de tomaten de kas in moeten (zo rond eind april-begin mei). De tuinbonen zijn dan uiteraard geheel “luisvrij” (en volgens hem extra mals en lekker.

RassenTuinboon roodbloeiend 1

Er zijn bruinkokende – en blankblijvende rassen. De bruinkokende rassen bezitten de typische bittere weeïge tuinbonensmaak (dat klinkt niet aardig, maar wel duidelijk, en zoals al eerder gezegd – een flink aantal mensen vindt juist deze tuinboon de enige echte en lekkere tuinboon 🙂 Deze tuinbonen hebben de bekende wit met zwarte bloemen. Voorbeelden van rassen: Witkiem, Suprifin, Leidse Hangers, Manita. Naast de witbloeiende tuinboon is er ook nog een erg mooie rode vorm: Crimson Flowered Broad Bean (foto).

De blankblijvende rassen missen het wrange en hebben een wat mildere smaak, zij hebben zuiver witte bloemen. Voorbeelden van rassen: Driemaal Wit, Stereo, Vectra

Bodem en bemesting

Tuinbonen groeien op alle grondsoorten. Ze behoort tot de peulgewassen die normaal gesproken maar heel weinig voeding nodig hebben: de tuinboon heeft echter wel wat meer voeding nodig (ze maakt tenslotte ook flinke planten met grote peulen): naast de basisbehandeling van het onderspitten van oude stalmest en/of compost vindt ze ook een handje koemestkorrels in het vroege voorjaar daarbij nog prettig.

Standplaats

Zoals gezegd horen Tuinbonen op het landje van de peulgewassen, met een vruchtwisseling van 1 op 4-6 jaar. Zelf telen we niet zo vaak tuinbonen (we lusten ze wel als ze jong zijn maar als ik eerlijk ben vind ik Kapucijners lekkerder 🙂 Bonen behoren tot de groep Phaseolus, Tuinbonen behoren tot de groep Vicia (faba) dus de vruchtwisseling zal normaal gesproken niet veel problemen geven, tenzij je ze heel veel teelt.

Zaaitabel en plantafstand:

Tuinboon tabel

Zaaien en planten

Zelf zaaien we tuinbonen het liefst voor in de koude kas, zaai ze zo’n 2 keer hun eigen dikte diep in de grond. Ik zaai ze graag in potjes voor, je krijgt dan allemaal mooi forse zaailingen (in trays zijn de vakjes gewoon te klein en/of te ondiep voor de grote zaden). We zaaien zelf in potgrond, zonder zand, tuinbonen kunnen veel koude en een natte grond goed verdragen (uiteraard niet “in het water” laten staan!). De kiemduur bedraagt 1 tot 3 weken, afhankelijk van temperatuur en omstandigheden. Plant de zaailingen uit als ze ruim groot genoeg zijn om zonder problemen en vraat van de kas naar het koude buiten te kunnen (zo’n 10-12 centimeter hoog houden we hier aan).

Binnen voorzaaien kan ook maar de overgang van het warme huis naar de koude buitenlucht in februari is wel erg groot, met daardoor meer kans op te hoge, iele, zwakke ziekelijke planten en natuurlijk een groeistilstand bij de overgang van warm naar koud.

Als je direct buiten ter plaatse wilt zaaien, dek dan het zaaisel af met vliesdoek (vooral duiven vinden ze erg lekker, en je geeft zo ook iets meer beschutting en warmte). Als de zaailingen het vliesdoek goed omhoog duwen (als ze zo’n 10-12 centimeter hoog zijn) mag het vliesdoek eraf.

Teeltzorgen

Tuinbonen aan plant

Uiteraard het al eerder genoemde beschermen tegen vogelvraat (tot de zaailingen groot genoeg zijn). Haal na maximaal 8 trosjes bloemen de top uit de plant. Deze wordt dan minder aantrekkelijk voor luizen en alle bloemen kunnen dan nog uitgroeien tot volwaardige peulen.

Aan de zwarte bonenluis valt niet zoveel te doen: zorg dat je ruim op tijd zaait en hoop op een niet te warm en vochtig voorjaar (warmte + vocht = luizen die zich razendsnel ontwikkelen en vermenigvuldigen). Je kunt de peulen ook met luis nog oogsten want de luis dringt niet door in de tuinboon zelf, maar het lijkt gewoon minder fris, het “oogsten en doppen” wordt een vies werkje en uiteindelijk zal de plant gaan bezwijken. Uiteraard kun je er wel spuitmiddeltjes voor kopen en gebruiken, het lijkt me echter niet dat je zelfgeteelde tuinboontjes daar lekkerder en gezonder van worden. Gewoon vroeg zaaien en dus vroeg oogsten, voor de grote meute luis je tuin binnen komt.

Oogst en bewaring

De jonge onrijpe peulen (want dan zijn de tuinboontjes ook nog klein, jong en het lekkerst) oogst je rond juni. Je kunt ze wel een paar dagen bewaren (in de peul uiteraard). Je kunt ze ook rauw invriezen.

Zaadteelt

De tuinboon is een zelfbestuiver; om de zaden te oogsten laat je de planten staan en de peulen doorgroeien tot je in augustus de dorre en droge peulen kunt oogsten. Laat de peulen nog een week nadrogen voor je zaden eruit oogst en nadroogt, de zaden zijn wel tot 6 jaar kiemkrachtig (mits koel en donker bewaard).