Tuinboon

 

Een tuinboon wordt ook wel veldboon, labboon of Roomse boon genoemd. Ze is een vroege peulvrucht, je eet de verse dopboon. Het looizuur in de boon zorgt voor de iets weeïge/bittere smaak. Bij jonge tuinboontjes is daar minder van te merken dan bij oudere/grotere tuinbonen: bij grotere bonen is de smaak ook niet alleen meer bitter/weeïg maar ook melig.

Een delicatesse is de “dubbelgedopte tuinboon”; je haalt eerst de tuinbonen uit hun peul en vervolgens maak je het tuinboontje open; in de tuinboon zie je dan 2 balletjes (ook leuk en leerzaam om te zien, want daaraan kun je zien dat een tuinboon ‘tweezaadlobbig’ is). En je eet dan dus alleen die ‘binnenballetjes’ uit de tuinboon.

Dubbelgedopte tuinboontjes zijn heel erg lekker, maar je houdt natuurlijk wel een kleinere opbrengst over. En sommige mensen vinden juist ook dat mintgroene-bruinige buitenvelletje zo lekker. Maar misschien wel waard om te onthouden, want wij hebben tuinbonen wel eens dubbelgedopt, toen we ze door omstandigheden veel te groot hadden laten worden – en dat was toch nog erg lekker.

Even een tip tussendoor: als je jonge tuinboontjes wel lekker vindt, maar wat grotere tuinbonen te bitter/weeeïg vindt, probeer dan vooral de kapucijner eens (die de meeste mensen alleen in gedroogde donkerbruine vorm kennen maar vers lijken ze wel een beetje op een kruising tussen doperwt en tuinboon (maar minder zoet dan de doperwt en minder bitter/weeïg dan de tuinboon): Kapucijner).

 

Tuinbonen en kapucijners zijn ook geschikt voor zo ongeveer dezelfde bereidingen (zoals een paar minuten koken en vervolgens  mengen met bijvoorbeeld uitgebakken spekjes of ham, gebakken uien en/of champignons).

Tuinboontjes eet je dus hoe dan ook bij voorkeur jong!

 

PLANT

Een tuinboon maakt een rechtopgaande plant met 1 onvertakte steel van 30 tot wel 125 centimeter hoogte (afhankelijk van het ras en de omstandigheden). In de bladoksels vind je de bloemen in trosjes, na deze lipbloemen worden later de de lange grote peulen gevormd (die wel 8 tot 20 centimeter lang kunnen zijn). Die peulen zijn dik en van binnen nattig en sponzig. En je eet dus de bonen die je uit die peulen haalt, de bonen zijn 1 tot 3 centimeter groot, plat en meestal mintgroen van kleur (maar dat is ook weer afhankelijk van het ras want er bestaan ook bruinkokende tuinbonen en bijvoorbeeld roodbruine tuinbonen).

Tuinbonen aan de plant

 

TEELTWIJZEN

Net als doperwten, peulen en kapucijners willen tuinbonen een koele lente; je kunt ze al vroeg zaaien (vanaf ongeveer februari, lichte tot matige vorst deert de zaailingen niet, alleen bij strengere vorst is het raadzaam om de zaailingen te beschermen met bijvoorbeeld vliesdoek, zie ook bij de teeltzorgen).

Vroeg zaaien is ook heel handig voor later in het seizoen want je kunt zo al oogsten voordat de tijd van de zwarte bonenluis begint. En zwarte bonenluis is bijna onvermijdelijk en de grootste belager van tuinbonen dus.

De 3 manieren om tuinbonen te telen:

  • vanaf ongeveer eind januari voorzaaien onder glas en dan in februari-maart buiten uitplanten
  • vanaf half tot eind februari buiten ter plaatse zaaien
  • en de derde minder bekende mogelijkheid (ooit gezien in het programma Gardener’s World en zelf 1 keer geprobeerd met prima resultaat): zaaien in oktober. De jonge kiemplantjes kunnen aardig wat vorst verdragen en zullen, als het in februari iets warmer wordt, snel verder groeien en een extra vroege oogst geven. Er blijft natuurlijk wel altijd een risico bij strenge vorst, en het ene ras is er meer geschikt voor dan het andere ras. Kies uiteraard een zonnige standplaats en dus een goed winterhard ras.

Onze tuinbuurman zaait ze trouwens ook in oktober al maar hij plant de zaailingen vervolgens na het kiemen uit in de kas. Hij kan dan tuinbonen rond april/mei oogsten (afhankelijk van het weer in winter en lente, het ras en overige omstandigheden als voeding, vocht, etc.). Dit levert extra vroege en malse tuinboontjes op. Bedenk bij deze teelt wel dat tuinbonen zelfbestuivend zijn maar er in de kas in het voorjaar geen wind waait en er vaak nog niet voldoende insecten zijn voor de bestuiving; je zult dus elke dag even tegen de planten moeten tikken om te zorgen dat de bloemen worden bevrucht en er peulen kunnen worden gevormd.

Van links naar echts tuinbonen, kapucijners en doperwten

 

RASSEN

Er zijn bruin kokende- en blank kokende rassen. De bruinkokende rassen bezitten de typische bittere weeïge tuinbonensmaak. Deze tuinbonen hebben de bekende wit met zwarte bloemen. Voorbeelden van rassen: Witkiem, Express, Suprifin, Leidse Hangers, Aquadulce (zeer geschikt om al voor de winter te zaaien),Manita.

De blank kokende rassen hebben een wat mildere smaak, zij hebben zuiver witte bloemen. Voorbeelden van rassen zijn Driemaal Wit, Stereo, Vectra.

Naast de witbloeiende tuinboon zijn er ook nog wat rode vormen (in bloei en/of boon) zoals de Crimson Flowered Broad Bean (rode bloei) en Karmazyn (rode boon).

Onze favorieten? Aquadulce voor extra vroege zaai, Suprifin of De Monica (verbeterde Suprifin) geeft een zeer goede opbrengst. En de allerlekkerste vinden we Stereo (lage planten – leuk en handig in een verhoogde bak – geven een matige opbrengst maar wel heel erg lekkere kleine tuinboontjes).

Tuinboon Crimson Flowered

 

BODEM / BEMESTING

Tuinbonen groeien op alle grondsoorten. Ze behoort tot de peulgewassen. En peulgewassen hebben over het algemeen maar weinig voeding nodig. Maar een tuinboon heeft wel wat meer voeding nodig (ze maakt tenslotte ook flinke planten met grote peulen). Naast het onderwerken van rijpe compost in de winter geven we een week of 2 tot 3 voor het uitplanten van de zaailingen een gemiddelde hoeveelheid organische moestuinvoeding (volgens de aanwijzingen op de verpakking).

 

STANDPLAATS

Zoals gezegd horen tuinbonen in het vak van de peulgewassen, met een vruchtwisseling van 1 op 4 tot 6 jaar. De vruchtwisseling zal echter normaal gesproken weinig problemen opleveren ten opzichte van de andere peulvruchten want de tuinboon (in het Latijn Vicia faba) is geen nauw familielid van de boon (Phaseolus), of erwt (Pisum sativum).

 

ZAAITABEL / PLANTAFSTAND:

Tuinboon tabel

 

ZAAIEN / PLANTEN

We zaaien tuinbonen het liefst voor in de koude kas, zo’n 2 keer hun eigen dikte diep in potgrond die we wat luchtiger hebben gemaakt door er een vijfde deel brekerzand en/of vermiculiet door te mengen. Ik zaai ze graag in potjes voor, je krijgt dan mooie forse zaailingen die nog wat kunnen groeien tot ze uitgeplant kunnen worden. In trays zijn de vakjes vaak gewoon te klein en/of te ondiep voor de grote zaden.

Oh, toch een keer gezaaid in een tray, maar dit is dan wel een tray met grote vakjes van 4,5 bij 4,5 centimeter

 

De kiemduur bedraagt 1 tot 3 weken, afhankelijk van temperatuur en omstandigheden. Plant de zaailingen uit als ze ruim groot genoeg zijn (minimaal 4 blaadjes hebben) om zonder problemen en vraat van de kas naar het de koude grond te kunnen. Uiteraard plant je niet uit wanneer er op korte termijn matige tot strenge vorst wordt verwacht.

Als je geen kas of platte bak hebt kun je natuurlijk ook binnenshuis zaaien maar de overgang van het warme huis naar de koude buitenlucht in februari is erg groot. Je voorkomt problemen door in huis zo koel mogelijk te zaaien (bijvoorbeeld op een onverwarmde zolder in het volle licht, een zonnig raamkozijn). En voor het uitplanten is het dan ook handig om de zaailingen af te harden, door ze in de nacht in huis te zetten en overdag buiten – zo kunnen de zaailingen wennen aan kou, regen, wind, en vervolgens in de koude nacht toch beschermd overnachten. Zaden die je zo vroeg bij kamertemperatuur zaait kunnen lang en dun en ziekelijk opgroeien en vervolgens veel schade oplopen als ze naar buiten gaan. Koel en licht zaaien is het advies!

Tuinboon zaailingen

 

Tot slot kun je natuurlijk ook nog buiten ter plaatse zaaien: dek direct na het zaaien de zaaisels af met een vliesdoek want vooral voor duiven zijn de zetmeelhoudende zaden zo vroeg in het voorjaar erg voedzaam en lekker. Het vliesdoek geeft ook iets meer beschutting en warmte, hetgeen de kieming net een paar dagen kan vervroegen. Als de zaailingen het vliesdoek goed omhoog duwen (als ze zo’n 8-10 centimeter hoog zijn) mag het vliesdoek eraf.

 

TEELTZORGEN

Uiteraard is het al eerder genoemde beschermen van de zaailingen tegen vraat door vogels en muizen belangrijk (tot de zaailingen groot genoeg zijn).

Daarnaast is het toppen van de planten aan te raden: knip of nijp na maximaal 8 bloemtrosjes de top uit de plant. De planten wordt dan minder aantrekkelijk voor luizen. En daarnaast kunnen alle bloemen dan nog uitgroeien tot volwassen peulen.

Tuinboon met zwarte bonenluis

 

Aan de zwarte bonenluis valt niet zoveel te doen: zorg dat je ruim op tijd zaait en hoop op een niet te warm en vochtig voorjaar (warmte + vocht = luizen die zich razendsnel ontwikkelen en vermenigvuldigen).

Je kunt de peulen trouwens ook met luizen nog oogsten want de luis dringt niet door de peul heen tot bij de tuinboon zelf, ze zorgen vooral voor een slechte bevruchting van de bloemen en verzwakken de plant. En het oogsten en doppen wordt een vies werkje.

Mocht je geen bezwaar hebben tegen chemische middelen kun je er wel spuitmiddeltjes voor kopen. Zelf slaan we dat liever over en zaaien we vroeg en toppen en oogsten we op tijd. Wij vinden dat ook wel zo prettig, want de planten halen we na de oogst uit de grond en dan zaaien we nog graag iets anders op de plaats die vrij komt. Ik heb echter ook wel eens bij tuinburen gezien dat hun tuinbonen door de luizenplaag heen groeiden en in augustus ruim 150 centimeter hoog waren, gezond en met nog steeds oogstbare peulen. Toeval of kan het echt? Ik heb het zelf nog nooit geprobeerd.

 

OOGST / BEWAREN

Je oogst bij voorkeur jonge peulen (want dan zijn de tuinboontjes ook nog klein, jong en het lekkerst), rond juni. Je kunt ze wel een paar dagen bewaren (in de peul uiteraard). Je kunt ze ook prima rauw invriezen (als je ze wilt koken kook je eerst water en je gooit de bevroren boontjes in het kokende water).

Tuinbonen maken net als peulen en kapucijners wortelknobbeltjes aan hun wortels waarmee ze stikstof uit de lucht kunnen vastleggen. Als je tuinbonen oogst kun je de planten afknippen zodat de wortels aanwezig blijven en de stikstof uit die wortelknobbeltjes ten gunste komt aan de groenten die je de tuinbonen teelt. Maar dat afknippen is bij tuinbonen best lastig (omdat het zulke grote planten met dikke stelen zijn). Denk er in ieder geval over na, wij laten ze zelf nooit in de grond zitten maar we gooien ze zeker ook niet weg, hier gaan alle planten die uit de grond komen met wortels en al op de composthoop.

 

Op deze foto zie je de wortels van een tuinbonenplant na de oogst; op de wortels zie je de kleine lichtgekleurde knobbeltjes die stikstof bevatten en dat in de grond of op de composthoop alsnog beschikbaar kunnen stellen aan andere planten of kan worden gebruikt voor de compostering.

 

ZAADTEELT

De tuinboon is een zelfbestuiver; om de zaden te oogsten zorg je dat je niet twee rassen dicht bij elkaar zet. Je laat je de planten staan en de peulen doorgroeien tot je in augustus dorre en droge peulen kunt oogsten. Haal de zaden uit de peulen en laat die nog minstens een week nadrogen. De zaden zijn wel tot 6 jaar kiemkrachtig (mits koel, droog en donker bewaard).

 


 

Voorjaarsmaaltijd: tuinboontjes met kapucijners en erwtjes, met gebakken ham- en spekblokjes, gebakken uien en mosterd