Aardappel

Aardappelrassen

 

Aardappelen worden heel vaak en veel gegeten. Vroeger aten we ze bijna elke dag, maar sinds de komst van pasta, rijst maar ook risotto, couscous, quinoa en andere lekkere zetmeelhoudende producten is het hier in ieder geval wel wat minder geworden.

Dat neemt niet weg dat de gemiddelde Nederlander toch minimaal 2 of 3 keer per week aardappelen eet. De aardappel is ook erg gemakkelijk in gebruik; gekookt, gebakken, uit de oven, als kroketjes, als frietjes, maar ook lekker in een salade en zelf gebruiken we haar ook vaak als een soort bindmiddel in soepen en stoofschotels. Op de foto bovenaan deze pagina zie je van alle soorten die we enige jaren geleden teelden een paar aardappelen (Escort, Roseval, Charlotte, Bleue d’Artois, Ratte en Rode Eersteling).

Van de aardappelplant eet je alleen de knol; blad en bloemen zijn niet eetbaar. Belangrijk om te weten en te onthouden is dat de aardappel behoort tot de groep Solanaceae (de aardappel heet Solanum tuberosum). Dat betekent dat ze familie is van bijvoorbeeld de aubergine en tomaat (handig en belangrijk om te weten i.v.m. vruchtwisseling, kans op ziekten, etc.).

Zelf heb ik altijd geleerd dat je na het oogsten van de aardappelen deze een dag of 2 tot 3 moet laten rusten voor je ze kunt eten. Als je ze direct eet zou je wat maag- en darmproblemen kunnen krijgen (zelf die gok nooit gewaagd en braaf een paar dagen gewacht dus of het helemaal klopt weet ik niet, lijkt ook wat te verschillen in gevoeligheid daarvoor per persoon).

Je kunt trouwens ook alcohol maken van aardappelen (maar volgens mij kun je van heel veel groenten en fruit alcohol maken 🙂 ). Zelf eens van iemand aardappelwijn gekregen, eerlijk gezegd vond ik het niet lekker, maar het is in ieder geval wel mogelijk.

 

TEELTWIJZEN

Er zijn vroege, halfvroege, middelvroege/late en late aardappelen, daardoor kun je de oogst spreiden en kun je over een lange periode verse aardappelen oogsten en eten.

Vroege rassen:

  • korte groeiperiode, 90 tot 100 dagen
  • bewaren ongeveer tot het nieuwe jaar (afhankelijk van het ras)

Middelvroege rassen:

  • je poot ze meestal 1 of 2 weken later dan de vroege aardappelen
  • iets langere groeiperiode, 100 tot 120 dagen
  • daardoor dus ook wat later oogstbaar
  • soms langer bewaarbaar (maar dat is uiteraard ook afhankelijk van het ras)

Halflate rassen:

  • worden nog wat later gepoot
  • en dus ook nog wat later geoogst
  • groeiperiode > 120 dagen
  • meestal tot in het voorjaar bewaarbaar

Late rassen:

  • lange groeiperiode, > 150 dagen
  • bewaren tot ver in het volgende voorjaar

Wij zelf kiezen de laatste jaren eigenlijk alleen nog maar vroege en halfvroege rassen: hoe langer de groeiperiode van een aardappelras is, des te meer mogelijkheden zijn er voor de “aardappelziekte” (de pseudoschimmel Phytophthora infestans) om toe te slaan. Zeker op onze vette klei, waar veel regen in de zomer een probleem kan zijn, zijn halflate en late rassen vaak gedoemd te mislukken.

Aardappeloogst 2

 

Op de 2e foto zie je de Bleue d’Artois (midden), Escort (onder), Roseval (rood, bovenaan), Annabel (rechts), Frieslander (linksboven) en Kestrel (met paarse vlekjes, links). Voor elke gelegenheid is er wel een aardappel; Annabel en Roseval zijn erg geschikt voor bakken en salades, wat gladder, Escort en Frieslander zijn wat kruimiger en daardoor lekkerder voor stamppot maar ook als gewoon gekookte aardappel bij vlees en groenten of frituren, Bleue d’Artois is ook iets kruimig en omdat ze zo mooi paars blijft erg leuk in paarse aardappelsalade, gebakken maar ook een lilapaarse aardappelpuree. Zo kun je zelf ook meerder aardappelen kiezen om te telen, voor meerdere bereidingwijzen.

Aardappelen kunnen niet worden gezaaid (het kan natuurlijk wel want in aardappelen komen ook wel zaadbolletjes, maar aardappelen zaaien is niet zo geschikt voor hobbyisten in verband met kruisingen, ziekten, etc., het wordt gedaan door veredelaars die nieuwe rassen willen ontwikkelen). Je poot een kleine aardappel (die speciaal is geteeld om als ‘pootaardappel’ te dienen), waarna je na de eerder genoemde periode van 90 tot wel 150 dagen een aantal aardappelen kunt oogsten. Ik heb ook wel eens gezien dat mensen geen pootaardappelen poten, maar gewoon een doorgesneden aardappel uit de supermarkt die al aan het uitlopen was; ook die groeiden best goed en leverden ook nog wel een leuke opbrengst op.

Zelf kopen we eigenlijk meestal pootaardappelen en dat bevalt ons het best. Maar ik heb wel eens wat Ratte-aardappeltjes gewoon in een winkel gekocht en gepoot, dat leek best goed te gaan maar de oogst was niet geweldig (dat lijkt echter vooral aan het ras te liggen). Want ook wel eens kleine Roseval-aardappelen in de supermarkt gekocht en gepoot, en dat leverde een meer dan prima opbrengst van gezonde, lekkere aardappelen op.

In 2013 deden we dat ook weer, en dan met Franceline (en dat was prima, prima opbrengst van grote aardappelen) en met Royal Gold (donkerpaarse schil, crèmegeel van binnen en dat ging juist niet goed, wellicht was de standplaats ook niet ideaal maar de oogst was mager en de planten waren wat gevoelig voor Phytophthora).

De resultaten van de teelt van consumptieaardappelen lijken dus een beetje wisselend. Maar wat let je om, als je bijvoorbeeld op vakantie erg leuke aardappelen van een bijzonder lokaal ras tegenkomt, toch eens te proberen om de aardappelen koel te bewaren en in het voorjaar uit te poten op een stukje land. Wie weet wat het wordt! Pas dan wel altijd extra op voor tekenen van Phytophthora, en houd je vooral aan de vruchtwisseling.

Vroege aardappelen kunnen in de grond vanaf half maart; dat is een gokje, want het loof sterft af bij vorst. Door het gebruik van vliesdoek of het poten onder glas kun je de teelt nog iets vervroegen. Hier werkt het vaak niet omdat de grond te nat is in het vroege voorjaar (en daardoor ook extra koud).

Jaren geleden eens (in een ongeduldige bui, zoals we die wel vaker hebben na een lange winter) eind februari wat aardappelen gepoot. Na een periode van 2 weken regen waren alle poters rot (waterrot). Sindsdien poten we niet vóór de tweede week van maart, en dan ook nog kijkend naar het weerbericht en of de grond niet te nat is.

Aardappel komt boven de grond

 

Op de foto zie je een aardappelplant zoals je die kunt herkennen wanneer ze net boven de grond komt. Zo’n 3 weken na het planten (afhankelijk van plantdiepte en het weer) speuren we elke dag de veldjes met gepootte aardappelen af, op zoek naar aardappelen die boven komen. Soms is er nog wel een aardappel die niet boven komt, en als je op tijd bent kun je die aardappel (vaak rot of aangevreten) dan nog uit de grond halen en daarvoor in de plaats een nieuwe aardappel poten (meestal houd je een paar pootaardappelen over na het poten, niet weggooien dus maar bewaren voor plekjes waar een aardappel is dood gegaan).

Als je toch eens late aardappelen wilt proberen, poot je deze tussen begin april en half mei. Poot zo vroeg mogelijk in verband met de eerder genoemde aardappelziekte Phytophthora. Phytophthora is trouwens een pseudo-schimmel die naast aardappelen vooral ook bij tomaten voorkomt (zoals eerder gezegd zijn ze familie van elkaar), ze verspreidt zich door de lucht. Zorg daarom dus altijd dat aangetaste planten van aardappelen of tomaten verwijderd worden van je tuin zodat ze zich onderling maar ook elkaar niet aan kunnen steken. Uiteraard de aangetaste planten ook niet op de composthoop gooien (wij gooien trouwens ook de gezonde planten van aardappel en tomaat niet op onze composthoop).

 

RASSEN

Er zijn heel wat smaak- en structuurverschillen tussen aardappelrassen. Vroege rassen vormen over het algemeen minder blad dan late rassen en worden dan ook dichter bij elkaar geplant. Zelf heb ik wel altijd geleerd: “geen aardappel zonder blad”, dus zorg bij afstand, verzorging en bemesting wel dat de plant goed kan groeien zodat ze ook knollen kan maken.

Zie voor een tabel waarin de meest bekende rassen worden genoemd, samen met hun vroegheid, geschiktheid voor bepaalde grondsoorten, opbrengst, kooktype, consumentenwaarde, bewaarbaarheid en resistentie tegen Phytophtora bijvoorbeeld op de website van Zaadhandel van der Wal, bij aardappelen en vervolgens bij ras-eigenschappen. Zaadhandel van der Wal is overigens ook een zeer betrouwbare leverancier voor veel verschillende groentezaden.

Als vroege aardappel kiezen we zelf vaak Rode Eersteling (die kregen we eens van een buurman en die vonden we wel lekker), of Tiamo. Maar elk jaar komen er weer nieuwe rassen op de markt, altijd leuk om ook eens een ander ras te proberen. Middelvroeg kiezen we vaak voor bijvoorbeeld Escort (een erg lekkere, iets kruimige aardappel), Timate, Rosagold, etc.. Let bij je keuze vooral ook op je eigen wensen m.b.t. kooktype (kruimig of juist niet). Zoals eerder gezegd, wij zetten een paar verschillende rassen, juist voor verschillende bereidingswijzen (een kruimige om gewoon te koken, een wat gladdere aardappel voor salades en bakken, etc.).

En als we er plaats voor hebben dus ook altijd een ‘leuk  kleurtje’  voor een geweldige en kleurrijke aardappelsalades, paarse aardappelpuree en paarse aardappelpreisoep. En Roseval (rood van buiten maar geelwit van binnen) is bijvoorbeeld dan weer erg lekker in de schil gebakken uit de oven, met knoflook en rozemarijn.

Elke aardappel is weer lekker bij een ander gerecht, het is leuk om bij het koken te kunnen kiezen uit je eigen assortiment :-).

Ik moet niet vergeten Leven van het Land te noemen. Waar zaadhandel van der Wal en anderen zeer goede en professioneel geteelde pootaardappelen verkopen, verkoopt Leven van het land juist op kleine schaal die bijzondere, weinig voorkomende aardappelen (ook paarse en rode en gevlekte variëteiten). Ook leuke knofloken trouwens, maar dat is een ander hoofdstuk 🙂

Aardappelbloem

 

Aardappelplanten kunnen ook bloeien (al doet niet elk ras dat ook echt elk jaar). Mocht je aardappelen in een siertuin willen poten, is het misschien leuk om bij je keuze op de bloemkleur te letten (geelschillige aardappelen geven normaal gesproken witte bloemen, roodschillige aardappelen geven lilapaarse bloei). Op de foto hierboven zie je de bloei van een roodschillige aardappel, de bloei valt rond juni/juli en is mooi zachtpaars. Aan de bloem kun je duidelijk zien dat de aardappel tot de groep Solanaceae behoort (de bloem lijkt op die van een tomaat, maar dan groter en in een andere kleur).

 

BODEM / BEMESTING

Hoewel aardappelen op alle gronden gekweekt kunnen worden, verkiezen ze een lichtzure grond (ideale pH voor klei 6, voor zand 5). Zandgronden zijn vooral voor vroege teelt geschikt omdat deze grond sneller droog en opgewarmd is. Middelvroege en latere teelten zouden het vooral goed doen op kleigronden omdat deze voedzaam zijn en vochtiger in de zomerperiode, maar eerder legde ik al uit dat onze vette klei (die ondertussen toch ook al veel humus bevat) bij veel regen in de zomer te nat kan worden met waterrot tot gevolg, en ook een grotere kans op Phytophthora. Bij de vroege teelt zal op zandgrond de aardappel (door de snellere opwarming) wellicht wat eerder boven komen, maar ook hier op klei hebben we de beste resultaten met vooral vroege en middelvroege soorten.

Aardappelen zijn redelijk gulzige planten; de kaliumbehoefte is relatief hoog ten opzichte van de stikstofbehoefte. Maar bedenk wel, een gezegde dat ik hier regelmatig van een tuinbuurman hoor is “zonder loof geen knol”. En dat is natuurlijk ook zo; de plant zal eerst een gezonde groene plant moeten zijn om voedingsstoffen op te kunnen nemen voor de ontwikkeling en groei van aardappelen.

Hier spitten we in de winter stalmest onder, en geven we later wat compost en een week voor het poten wat samengestelde organische meststof volgens de aanwijzing op de verpakking. Zo kunnen de pootaardappelen uitlopen en de plant gaan groeien. En om aan de hoge kaliumbehoefte te voldoen (om de knolontwikkeling te bevorderen) strooien we een paar weken na het uitlopen van de aardappelen (wanneer ze dus goed aan de groei zijn) nog een kleine hoeveelheid kali.

Teveel stikstof door een verkeerde bemesting met stikstofhoudende mestsoorten (bijvoorbeeld door bloedmeel maar ook kunstmesten als kalkamonsalpeter, chilisalpeter, etc.) kan veel loof maar geen aardappelen geven, maar ook een groter risico op Phytophthora, aantasting door de coloradokever, en minder aardappelen. Zelf hebben we een jaar of 10 geleden eens bloedmeel gestrooid op een aardappellandje en daardoor werden de planten ruim 120 cm hoog, heel grote, mooie planten, zagen er groen en mooi en gezond uit, maar bij het oogsten hadden we maar weinig en vooral kleine aardappelen – alle voeding (en dat was dus vooral stikstof) was voor de groei van de plant verbruikt, maar er was geen kali voor de groei van knollen 🙂 ).

Samengevat; een matige algemene bemesting met een kleine stikstofbemesting maar een flinke kalibesmesting zorgt voor de beste resultaten. Na aardappelen blijft er trouwens nog stikstof in de bodem achter, daardoor doet na vroege aardappelen een “nateelt” van bladrijke gewassen zoals sla, andijvie, etc. het erg goed.

Op een zure zandgrond is het raadzaam om wat kalk te gebruiken. Bij een te lage pH kan er magnesiumgebrek optreden; bladeren worden geel, terwijl de nerven groen blijven. Gevolg is dan het te vroeg afsterven van de bovengrondse delen van de plant, met als gevolg uiteraard minder opbrengst van aardappelen. Geef in dat geval ruim op tijd een magnesiumhoudend product als kalk of kieseriet.

 

STANDPLAATS

Er moet een vruchtwisseling van minimaal 1 op 4 worden aangehouden, om aaltjes, phytophtora, en schimmels zoveel mogelijk te voorkomen. Aardappelen laten grond met een goede structuur na, na de oogst is de grond zelfs hier op de vette klei mooi los en rul en nog zeer geschikt voor een nateelt (zoals gezegd, met bijvoorbeeld herfstandijvie, winterprei of iets dergelijks). Zelf stelt de aardappel weinig eisen; ze doet het zowel in volle zon als de halfschaduw goed.

 

POOTGOED

Pootaardappelen

Het plantgoed wordt gesorteerd op de afmetingen van de aardappelen;

maat 28/35 mm

De meest voorkomende en ook interessantste soort: heeft voldoende ogen per knol en een goede verhouding tussen de reserves in de knol en het aantal knollen per kilo.

maat 25/28 mm

Is een kleine maat. Heeft minder ogen, dus minder stengels = minder aardappelen, maar wel grotere aardappelen

maat 35/45 mm

In een grote maat. Heeft meer ogen, dus meer stengels = meer aardappelen, maar dan wel kleinere aardappelen. Omdat grote pootaardappelen meer reserves hebben in hun knol kunnen ze na bijvoorbeeld vorstschade makkelijker herstellen en daarom zijn deze grotere pootaardappelen geschikt voor de vroegere teelten.

 

VOORKIEMEN

Voorkiemen doe je door het pootgoed een paar weken lang in bakjes te leggen en deze op een lichte maar niet zonnige plaats te zetten. Zelf leggen we (voor vroege en middelvroege aardappelen) zo rond half februari de aardappelen in de doosjes waarin je eieren koopt; zo ligt elke pootaardappel goed gescheiden van de rest, kan er voldoende licht bij, en weinig kans op zweten of schimmel door vocht. De ideale temperatuur daarbij is 10°C. En hier is dat op zolder, voor het raam.

Aardappel Kestrel loopt uit

 

Dus zo koel en licht mogelijk. De ogen die dan uitlopen en scheuten vormen zijn dan kort en stevig en gedrongen. Heb je langere scheuten, dan hebben de bakjes met poters te warm en/of te donker gestaan. Langere scheuten breken heel gemakkelijk bij het poten, en ze putten de knol uit. Een goed voorgekiemde pootaardappel heeft 2 weken voorsprong, maar het heeft geen invloed op de uiteindelijke grootte van de oogst.

Per ongeluk kwamen aardappelen zo uit de schuur in maart, veel te lange en waterige scheuten om nog als pootaardappel te kunnen dienen
Per ongeluk kwamen aardappelen zo uit de schuur in maart, veel te lange en waterige scheuten om nog als pootaardappel te kunnen dienen

 

PLANTEN

Aardappelen houden van een losse luchtige grond. Kort voor de teelt maak je de grond daarom goed los, het vergemakkelijkt tevens het planten. Zorg dat de pootaardappelen wat zijn afgehard (zet ze af en toe op een lichte, luchtige en en niet vochtige plaats een tijdje buiten), en bijvoorkeur laat je ze dus voorkiemen.

Poot aardappelen in rijen, vroege aardappelen mogen wat dichter bij elkaar dan de late rassen (zie in de tabel hieronder de plantafstand voor vroege, middelvroege, middellate en late aardappelen). Je kunt de poters poten met een schepje, een hak of met een aardappelplanter. In ieder geval moeten de aardappelen 10 centimeter onder de aarde komen (zie voor de diepte van poten ook even hieronder bij ‘Aanaarden’).

Na het maken van de gaten (wij gebruiken er zelf een aardappelpoter (zie foto) voor, lijkt een beetje op een extra grote bollenpoter – en die zou ook heel geschikt zijn), leg je de aardappelen voorzichtig in de gaten (anders breken de zorgvuldig gekweekte scheuten weer af), en vervolgens maken we het gat weer dicht met het kluitje dat we eerder uit de grond haalden.

Aardappelpoter

 

POOTTABEL EN POOTAFSTAND

Aardappel tabel

 

 

AANAARDEN

Wij zelf aarden niet meer aan; het is veel werk en wij zelf hebben ondervonden dat als je aardappelen extra diep poot (ruim 10 centimeter of zelfs nog iets dieper) je niet meer aan hoeft te aarden omdat de aardappelen dan niet meer bovengronds komen (de eigenlijke reden om aan te aarden is dat je niet wilt dat aardappelen half boven de grond komen waardoor je ‘groene’ aardappelen krijgt (die extra solanine bevatten). Bedenk daarbij dat de aardappelen die je wat dieper poot natuurlijk wat later dan normaal boven de grond komen omdat de weg naar het licht wat langer is.

Een andere belangrijke reden om wat hoger te poten en dan aan te aarden is natuurlijk het vocht; in de laatste jaren soms zoveel regen gehad dat het beter zou kunnen zijn (op onze vette klei waar het water niet zo snel wegloopt) wat minder diep te poten en dan wel aan te aarden. Tot nu toe nog niet gedaan maar het is wel iets dat we in ons achterhoofd houden voor wanneer de zomers nog natter zouden gaan worden. Op zandgrond loopt het water veel sneller weg en is dit, denk ik, minder een reden om aan te aarden.

Mocht je wel willen aanaarden of heb je de pootaardappelen gewoon te ondiep gepoot waardoor je wel zult moeten aanaarden: je aardt de planten het best aan kort na het boven komen van de planten, als ze 15 centimeter hoog zijn. Doe dit met een hak of ‘aanaarder’ (een soort V-vormig gereedschap). Als je dit een paar keer herhaalt ontstaan er ruggen. De voordelen daarvan zijn:

  • bevordert ondergrondse stengelvorming
  • beschermt vroege aardappelplantjes tegen vorst
  • belet dat sommige knollen in het daglicht groeien en groen worden
  • de grond op de ruggen warmt wat sneller op
  • de regen wordt beter afgevoerd
  • betere bestrijding tegen onkruid

Probeer vooral zelf wat je het prettigst vindt werken, dieper poten en niet aanaarden, of wat minder diep poten en wel aanaarden. Leuk projectje 🙂 !

Aardappelveld bloeiend

 

VERZORGING

Aardappelen onderdrukken het onkruid goed als de planten eenmaal volwassen zijn, maar bij jonge planten moet je uiteraard nog wel wieden. Doe dit altijd ondiep en voorzichtig om geen ondergrondse wortels en aardappelen te beschadigen.

 

OOGST

Om vroege aardappeltjes te kunnen oogsten kun je al met oogsten beginnen wanneer het blad nog groen is. Eigenlijk zijn de knolletjes dan nog niet rijp; ze zijn relatief klein en de schil beschadigt heel gemakkelijk (je hoeft ze niet te schillen, je borstelt ze onder de kraam schoon en kaal). Maar ze zijn wel heel erg lekker.

Voor echte definitieve oogst, wacht je normaal gesproken tot het blad van de aardappelplanten afsterft. Zelf oogsten we vanaf de tijd dat de aardappelplanten geel worden. We rooien gewoon een “stoel” aardappelen wanneer we het idee hebben dat ze ongeveer wel goed zijn. In het ergste geval heb je maar een klein maaltje aardappelen (die wel erg lekker zijn) en laat je de rest van de planten gewoon nog een week of 2-3 groeien voor je dan weer eens een wat oogst. Maar als je te lang wacht, dan is het verschil tussen afstervend blad en Phytophthora lastig te zien (en dat gebeurt hier helaas erg vaak). En liever op tijd iets minder geoogst, dan wat te lang gewacht en veel weg moeten gooien door Phytophthora-aantasting).

Aardappel Bleue dArtois rooien

 

Het rooien gebeurt met een riek of met een speciale aardappelriek (kleiner en korter), of eventueel met een spitvork. Laat geen aardappelen (ook geen kleintjes) in de grond achter, de achtergebleven knolletjes gaan na de winter vaak gewoon weer verder groeien en brengen dan de vruchtwisseling in de war, in het slechtste geval kunnen ze ook nog worden aangetast door Phytophtora. Rooi de aardappelen bij voorkeur wanneer de grond nog wat vochtig is (makkelijker oogsten). De laatste late aardappelen moeten uiteraard voor de vorst binnen worden gehaald.

Aardappeloogst

 

Soms kan het gebeuren dat je bij het opensnijden van de aardappel een gat dat wat verkleurd is midden in de aardappel aantreft (foto hieronder). Het is geen ziekte maar een teken dat de aardappel tijdens de groei te maken heeft gehad met grote verschillen in vochtigheid. Nog een reden dus om bij droogte water te geven en te zorgen voor een goede afwatering tijdens natte perioden. Vaak zie je dit fenomeen bij de grotere aardappelen (de aardappel op de foto is een ‘Anaïs’). Je kunt de aardappel nog prima eten, mits je het donkere vruchtvlees wegsnijdt. De aardappelen zijn wel wat minder lang houdbaar; houd de wat grotere aardappelen apart en eet die als eerste.

Aardappel met droogtegat

 

Heel belangrijk is het drogen en de plaats van opslag. Ik heb eens de aardappelen gezien bij iemand die de aardappelen na het rooien een dag of 4 in een plastic mand in de kas (en daar is het rond de 45 graden) had gezet; niet droog en niet kunnen ademen (door de plastic mand) gaf aardappelen die van binnen een rottende, zwarte plek kregen. Buiten op de grond laten staan kan ook niet; de aardappelen gaan dan ademen en worden binnen een paar dagen zacht.

Aardappelen wassen na oogst

 

Als je de aardappelen wast (hoeft natuurlijk niet), laat ze dan gewoon een uur of 2 drogen op de tegels of in open kratten, waarbij ook de zijkanten open zijn (luchtdoorlatend).

Aardappelen geoogst

 

Zo laten wij onze aardappelen na het wassen (scheelt veel en vaak vieze handen bij het schillen in de winter) drogen.

En zo nemen we ze ook mee naar huis, goed gewassen, goed gedroogd op de warme tegels en daarna in open kratten. En we zetten ze vervolgens zo snel mogelijk donker, en zo mogelijk vrij koel (kelderkast of schuur of garage).

Mocht je geen tijd of vervoer hebben om de aardappelen mee naar huis te nemen, doe ze dan na het drogen in een open krat, dek de aardappelen af met het eigen lof (om ze donker te houden, dan worden ze niet groen), en zet ze in de schaduw, tot je gelegenheid hebt de aardappelen op te halen (liefst wel binnen 1 of 2 dagen).

Wij vinden het dus zelf handig en prettig om de aardappelen gelijk na het rooien te wassen en te drogen. Om de grond eraf te wassen, maar er is nog een reden: elke aardappel hebben we op deze manier even in onze handen en kunnen we controleren. Er zijn wel aardappelen die per ongeluk zijn geraakt door de aardappelriek, zijn gespiest of beschadigd. Die gaan apart in een emmer en die eten we als eerste. En mochten er wat aardappelen tussen zitten met Phytophthora of waterrot of wat dan ook, dan kunnen we die er gelijk tussenuit halen en weggooien, voor ze later in de krat andere aardappelen aan kunnen tasten.

Phytophthora

Het grote woord dat je hier al eerder las. Omdat het een belangrijk aspect bij de teelt van aardappelen is heb ik er een aparte pagina voor gemaakt; zie hier: Phytophthora infestans. Je kunt op die pagina meer informatie vinden, en vooral foto’s van blad, stelen en planten wanneer ze zijn aangetast door deze verwoestende pseudoschimmel.

BEWAREN

Zorg dat de aardappelen goed gedroogd zijn voor je ze weg zet. Zeker wanneer je een paar aardappelen met Phytophtora in je oogst had is het heel belangrijk nog een aantal keren je oogst te controleren. Vaak ruik je het al als je de schuur in komt; de geur van Phytophtora is herkenbaar, en het gebeurt best vaak dat je in je oogst aardappelen toch alsnog een paar aardappelen met ziekteverschijnselen tegen komt. Als je die aardappelen niet zo snel mogelijk verwijdert tasten ze de rest aan en kan het geheel zorgen voor rotting. Wij controleren onze oogst altijd elke week nog voor een week of 4, daarna is de oogst wel ‘veilig’.

Aardappelen oogst kratten

 

Op de foto hierboven zie je de oogst die 5 kilo pootaardappelen van het ras Escort gaf. Uiteindelijke opbrengst ongeveer 60-65 kilo. In de kratten zitten de gewone grote gezonde aardappelen. In de achterste emmer met klein laagje de aardappelen die er niet heel goed uitzien maar niet duidelijk ziek zijn, en de aardappelen die beschadigd zijn door de riek. En de voorste emmer zit vol met de kleine aardappeltjes. Gewoon omdat we dat handig vinden (als we eens gebakken krieltjes willen eten hoeven we die niet uit de kratten bij elkaar te zoeken maar zitten die al in een aparte emmer.

Bewaar alleen goed afgerijpte aardappelen, en wel op een donkere en droge plaats bij een temperatuur van het liefst 4 tot 8 graden Celsius.

Een aardappelknol is een levend iets dat ademt. Bij die ademhaling worden de reservestoffen in de aardappel verbrand tot koolzuurgas en water. Beneden de 4°C is die ‘ademhaling’ zeer gering, maar boven de 8°C wordt deze steeds groter. Het gevolg is het vormen van scheuten en het verschrompelen van de schil. De eetkwaliteit gaat hierdoor snel achteruit. Vandaar dat aardappelen (trouwens net als Dahlia’s, etc.) uitlopen als je ze binnenshuis legt. En daarom halen we altijd maar een klein deel van de aardappelen voor consumptie naar binnen, nooit een hele bak, want de warmte binnenshuis brengt ze heel snel tot leven.

Vorst en nattigheid is noodlottig, het heeft afsterven en rotting tot gevolg. Als het hier een paar graden vriest leggen we ter bescherming tegen de kou jute zakken op de kisten met aardappelen. Maar als het echt meer dan -5 wordt gaat het ook in de schuur vriezen en zullen we de aardappelen naar binnen halen en de kratten op de koude maar vorstvrij zolder zetten, tot de vorstperiode voorbij is.

Aardappelen Tiamo oogst

Vanaf januari begint de kritieke periode voor de bewaaraardappelen; de knollen beginnen intensiever te ademen en scheuten te vormen. Controleer ze nu regelmatig, verwijder scheuten, en houd ze zo luchtig en koel en donker mogelijk. Wij eten vaak zelf zo rond half maart de laatste aardappelen, en dan is het ook hoog tijd dat de laatste aardappelen op gaan want dan wordt de kwaliteit snel slechter.

Tenslotte is het bewaren in het donker noodzakelijk omdat de knollen anders groen en oneetbaar worden. Er bestaan ook nog chemische kiemremmende middelen die vooral in de beroepsteelt gebruikt worden, maar ook voor de hobbytuinder te koop zijn (anti-spruitpoeder wordt het genoemd).

 

Aardappelsalade van Ottolenghi met paarse, roze en gele aardappelen
Aardappelsalade van Ottolenghi met paarse, roze en gele aardappelen

 


Aardappeltaart met geitenkaas
Aardappeltaart met geitenkaas